1865 – 1921 Circus Lowande

Nadat het circus van de gebroeders Brown in 1830 Paramaribo aandeed, waren in deze stad circusoptredens te zien in 1843 en 1858. In november 1843 gaf het ‘Olymische circus’ een aantal ‘magnifique voorstellingen’. 1 Vijftien jaar later deed een circus met dezelfde naam de stad aan en werden in de advertentie namen van drie ‘kunstkoorddansers’ genoemd: A. Themar, E. Ceïd en M.St. Veran.2

Affiche Grand Circo Lowande, Courier co (z.j.). Collectie Ringling Museum, Tibbals Circus Collection, inv.nr. ht5000141 .

Alle voorstellingen vonden plaats ‘met vergunning van Zijne Excellentie den Heer Gouverneur’, zo ook de reeks van ‘Cirque Luande’ in februari 1865. De advertentie van 5 april 1865 sprak van een benefietvoorstelling voor Clarinda Luande, waarmee duidelijk wordt dat het gaat om de dochter van Alexander Lowande (*1805), eigenaar van het ‘Grande Circo Olimpico’. Geboren in Boston, zou Lowande als achtjarige jongen in de leer zijn gegaan bij de eigenaar van een circus uit Californië, die hem trainde in het berijden van een ongezadeld paard. In 1830 zou Lowande het circus hebben overgekocht van de Californische eigenaar tijdens een tournee door Zuid-Amerika.3
In 1842 trad Lowande in Brazilië in het huwelijk; zijn echtgenote Guilhermina zou de eerste vrouw van het land zijn geweest die de rijkunst ging beoefenen. Door dit huwelijk en dat van Lowandes dochter met een Braziliaanse ruiter wordt aangenomen dat Braziliaanse circusartiesten een gelijkwaardige positie hadden binnen het gezelschap. In het circus van Lowarde stond het paard centraal, naast de dressuur ook acrobatiek op het paard, jongleren en staand rijden. 4

Delpher – De West-Indiër (29 april 1891). Bovenste gedeelte van een advertentie.

Leden van de familie Lowande waren verbonden aan grote circussen als Ringling, Forepaugh en Barnum en leidden daarnaast zelf gezelschappen. In 1891 zou Martinho Lowande 5 met een eigen schoener verscheidene Caraïbische eilanden hebben aangedaan. In 1891 gaf hij met zijn partner een aantal optredens in Paramaribo, Suriname. Op het Vaillantsplein waren volgens de advertentie zeventien artiesten te zien, waaronder Martinho, Oscar en Alex Lowande.
In 1902 behoorden een olifant en drie leeuwen tot het gezelschap van Tony Lowande, maar de verslaggever van het nieuwsblad Suriname had vooral oog voor het publiek: ‘het overgroote deel der bezoekers, van wien men gerustelijk kan zeggen dat het den toegangsprijs op eerlijke wijs niet kan betalen, en dat het dus ongetwijfeld niet op geoorloofde wijs aan het bedrag komt. Lang betoog behoeft het dus niet, om aan te toonen dat dit leidt tot misdaad en tot bevordering der toenemende zedeloosheid en leeglooperij.6 Dergelijke bezwaren werden niet geuit toen Circus Lowande in 1905 en 1921 Paramaribo bezocht.

1830 Circus (Brown brothers)

Delpher – Advertentie, Surinaamsche Courant, 30 oktober 1830.

De eerste advertentie die in Delpher te vinden is over circus in Suriname, dateert uit 1830 : ‘De zogenaamde kapitein Dick , zal Heden Avond, de aanschouwers op eene aangenaame wijze bezig houden, door het verrigten van onderscheidene manouevres te paard.’

Rond 1825 was het circus in de Verenigde Staten uitgegroeid tot een gevestigde vorm van vermaak, waardoor gezelschappen over kapitaal beschikten om andere markten te betreden. Aanvankelijk richtten zij zich op Canada, Centraal- en Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied. In deze regio’s waren eerder speelsteden gecreëerd door Europese gezelschappen die op Amerikaanse tournee waren. Vooral de nabijheid van het Caraïbisch gebied bood voor de Amerikanen een manier om in de winter omzet te blijven maken.

Benjamin, Christopher en Herschel Brown zouden met hun ‘Cirque Olympique’ in 1830 een reis van vijftien maanden maken langs Martinique, Jamaica, Barbados, Honduras, Frans-Guyana en Suriname. De ‘Voltiguers’ sprongen vanaf de grond op een galopperend paard en toonden acrobatiek op het dier. Naast zes paarden , een leeuw en jaguar maakten zes apen onderdeel uit van het circus. Een van de apen was de in de advertentie aangekondigde ‘kapitein Dick’, die getraind was om een paard te berijden. 1

2019 OVT Abdelkader Benali

Met dank aan Alexandra van Dongen

De column van schrijver Abdelkader Benali in het radioprogramma OVT van 1 december 2019, droeg de titel ‘Mensvertoningen’.

Man, vrouw en twee kinderen die deel waren van ‘Marokko, Witte Stad’ (1912). Fotocollectie Het Leven, inv. nr. [SFA022815514]

“In 1912 werd in de tuin van het Paleis van Volksvlijt een Marokkaanse bazaar ingericht met levende bewoners uit Marokko. Onder de families waren ook acrobaten. Dit waren de zogenaamde etnologische tentoonstellingen waar de Hollandse bezoeker zich kon vergapen aan de exoten. Mijn column vanochtend bij OVT ging erover. Hieronder terug te lezen.

Wanneer de dagen korter worden en duisternis intreedt zoek ik mijn heil in de online fotobibliotheek van het Nationaal Archief. Het Nationaal Archief afficheert zichzelf als Ons Nationale Geheugen, in dit archief worden de documenten, boeken en beeldmateriaal bewaard die het verhaal van Nederland vertellen. Met een eenvoudige klik op de muis krijg ik er toegang toe.  Ik wil weten wanneer de eerste Marokkanen in Nederland zijn gefotografeerd.
Vijftig jaar geleden kwamen de eerste Marokkaanse migranten naar Nederland in het kader van het economische wervingscontract dat werd gesloten.
Lang voor het wervingscontract kwamen Marokkanen naar Nederland. Marokko was het eerste land het eerste land dat diplomatieke betrekkingen aanknoopt met de jonge Republiek, in 1605. “Liever Turks dan Paaps,” was de uitdrukking die in de lage landen werd gebezigd en dan stond Turks voor moslim.
Onbekommerd struin ik door het archief van het Nationaal Archief. Dan valt mijn oog op een collectief foto’s uit 1912. Ik zie een Marokkaans gezin gekleed in traditionele gewaden zitten op een tapijt.  Een bont gezelschap van muzikanten en acrobaten.
Deze Marokkanen zijn alleen niet in Marrakech, maar in Nederland, in Amsterdam waar ze zijn samengebracht voor een tentoonstelling over het Marokkaanse leven. De tuin voor het Paleis voor Volksvlijt is omgebouwd tot een ware Marokkaanse bazaar. De Nederlandse bezoeker kan als het ware in eigen land op bezoek in Marokko. Welkom in de Witte Stad!

Rijtour van Marokkanen die deelnamen aan de ‘Witte Stad’ op de grote Jan Plezier. Fotocollectie Het Leven, inv.nr. SFA022815518.

Het Marokkaanse gezin op de foto is een bezienswaardigheid. Op een andere foto stapt een Marokkaanse man met een traditionele fez op in de grote koets De Jan Plezier in voor een rondleiding door de stad; een reclamestunt om het Amsterdamse publiek te verleiden naar de levende exoten te komen kijken.
Deze groep Marokkanen maakten deel uit van etnologische tentoonstellingen die in die tijd enorm populair waren. Je kon je vergapen aan Hotentotten, Pygmeen, Moren, Chinezen, Indianen en Creolen. De Ander voorgesteld als exotische bezienswaardigheid zij aan zij met de man met de baard, de vrouwen met de acht borsten en de Siamese Tweeling. De etnologische tentoonstellingen vallen samen met de groei van het imperialisme. Europese staten veroveren de wereld en stallen de bezit genomen rijkdom uit, inclusief haar bewoners. Een bezoekende journalist aan de Witte Stad waagt zich aan een bezoek aan de bedoeinentent bij het Paleis. Dat ze echt zijn wijst ons reukorgaan wel aan als we wat dicht bij de tent komen.
Na twee maanden werden de Marokkanen terug naar huis gestuurd. Het zal tot begin jaren zestig duren dat de Marokkanen terugkomen. Deze keer om te werken in de fabrieken. Deze groep Marokkanen gaan niet terug. Maar blijven. Zo wordt de bezienswaardigheid arbeider en uiteindelijk volwaardig burger. Ook dat is evolutie.”