Virginian

N.V. Eerste Nederlandse Witmetaalfabriek te Loosduinen, bronzen beeld, ca 1926 – 1969 . Twee rokende mannen met een verentooi en rok van tabaksbladeren, leunend tegen een vat dat gevuld is met tabaksbladeren . Collectie Liemers Museum, inv.nr. 07014-00.

Vanaf 1613 begonnen experimenten met de verbouw van tabak in Virginia, sinds 1607 de eerste Engelse kolonie in Noord-Amerika. Een luttele vijf jaar later werd er meer dan achttienduizend kilo tabak naar Engeland uitgevoerd.1 De teelt was uiterst bewerkelijk en vanaf 1618 werd dit bewerkstelligd door onvrije arbeid, aanvankelijk door mannen uit Engeland. Vanaf halverwege de zeventiende eeuw zagen landbouwers uit Wales en Engeland zich door het mislukken van oogsten genoodzaakt een contract aan te gaan dat hen verplichtte vier tot zeven jaar op de tabaksvelden te werken.2

Johannes van Oye, Tabaksvignet van papier, c. 1730-1760. Links een staande koopman. Een Afrikaanse vrouw biedt hem een bos tabaksbladeren aan. Voor haar zit een inheemse Amerikaan met pijp op een half geopende tabaksmand. Collectie Amsterdam Pipe Museum, inv.nr. APM 25.002

Van groter belang was de slavenarbeid. Engelse kolonisten kwamen in het bezit van inheemse Amerikanen door hen te ruilen tegen wapens. Deze ruilhandel werd bedreven met inheemse bevolkingsgroepen die zich bewapenden, mede om te voorkomen dat zij zelf tot slaaf gemaakt werden. Zodoende bereikten de Richahecrian en de rivaliserende Occaneechi een dominante positie die hen in staat stelden andere inheemse groeperingen te onderwerpen en verhandelen.3 Hoewel de prijzen fluctueerden, bleef de productie van tabak toenemen – wat mogelijk was door de trans-Atlantische slavenhandel. In de periode 1698-1774 werden naar schatting 80.000 tot 100.000 mensen uit Centraal- en West Afrika naar Virginia verscheept. 4

Links: houten beeld (1775). Jongen die een pijp rookt, draagt hoofdversiering van rood, wit en zwarte veren en een lendendoek. In zijn rechterhand heeft hij een bos tabaksbladeren, zijn linkerhand rust op een tabaksrol. 1775, Collectie Ottema-Kingma Stichting, inv.nr. NO 14562.

Rechts: Houten beeld, ca 1750 -1799. Donkere man gekleed in een witte tuniek en een geplooide roodgele rok. Hij draagt een tulband, halsdoek, met metaal beklede schoenen en opgerolde sokken. De linkerhand rust op een tabaksrol. Collectie Ottema-Kingma Stichting, inv.nr. NO 14561.

Tegen deze achtergrond zou het houten beeld uit de collectie van de Ottema-Kingma Stichting kunnen worden bekeken. In 1605 opende de eerste tabakswinkel in Londen, herkenbaar aan de uithangborden. Molineux liet in een uitgebreide studie van Britse vignetten en advertenties zien dat een hybride figuur ontstond, de black virginian waarin Turkse, Afrikaanse en inheems Amerikaanse elementen werden samengebracht. 5

Gravure (1617). Collectie British Museum, inv.nr. Gg,4U.13. Links de toonbank met daarop de rokende virginian.

De eerste afbeelding van een black virginian is te zien in het boek ‘The smoaking age or the life and death of tobacco‘ (1617). Het frontispice is een weergave van het interieur van een tabakswinkel. Op de toonbank is een kleine, donkere figuur te zien; hij rookt een pijp, houdt een tabaksrol onder zijn linkerarm en aan zijn voeten liggen kleipijpen. In Engelse havensteden waren houtsnijders die zich specialiseerden in het vervaardigden van boegbeelden en sierlijk bewerkte achterstevens. De houten virginians in tabakswinkels, koffiehuizen en tavernes zijn mogelijk van hun hand afkomstig. 6 Gedurende de zeventiende eeuw verspreidde de figuur zich in het Engelse straatbeeld: eigenaren van tabakswinkels lieten visitekaartjes, kwitanties en verpakkingsmateriaal ontwerpen waarop de virginian te zien was 7 Vanaf de achttiende eeuw werd de figuur ook afgebeeld op tabakszakjes, vignetten en advertenties in Nederland. 8

Papieren sigarenzakje ‘De Wilde man’,ca.1884 – 1890. Links een donkere man met verentooi en rok van tabaksbladeren, op de rug een pijlenkoker, gewapend met knots en lans. Collectie Amsterdam Pipe Museum, inv.nr. APM 26.018b

Empire: the controversies of British imperialism

Affiche, ‘De jungles van vandaag zijn de goudmijnen van morgen’(1927). Collectie National Archives, inv.nr. .CO 956/501. Afkomstig van een educatieve website: https://www.nationalarchives.gov.uk/education/empire/

Afgelopen zomer volgde ik via het platform Future Learn de massive online open course (mooc) Empire: the controversies of British Imperialism, verzorgd door Exeter University’s Centre for Imperial and Global History . De mooc wordt sinds 2015 aangeboden en is onderverdeeld in grote thema’s als geld, geweld, gender en propaganda. Voor mij erg leerzaam was een les als ‘drie theorieën over het verband tussen geld en het Britse Rijk’. In kort bestek werd Hobsons visie (1902), met het industrieel kapitalisme als drijvende kracht achter de koloniale expansie, afgezet tegen de werken van Robinson & Gallagher (1953 – 1961)) en Cain & Hopkins (1986-1993). Het eerste duo stelde dat vrijhandel het fundament vormde van het Britse imperialisme, waarbij toegang tot afzetmarkten bij voorkeur werd bereikt door samenwerking met lokale elites. 1Waar in deze opvatting regeringskringen centraal staan, concentreerden Cain & Hopkins zich op ‘gentleman’ kapitalisten – een elite binnen zowel de regering als het bedrijfsleven.

Links: A’a, godenbeeld vervaardigd op Rurutu, Frans-Polynesië, waarschijnlijk in de 17e eeuw. Collectie British Museum, inv.nr. Oc,LMS.19. In 1821 ontving zendeling John Williams van de London Missionary Society het beeld van tot het christendom bekeerde bewoners ; andere ‘afgodsbeelden’ werden vernietigd. Rechts: inventariskaart. Het beeld kwam in 1890 als bruikleen in het British Museum en werd in 1911 aangekocht.

De grote thema’s worden verdiept aan de hand van gevalsstudies. Nandini Chatterjee ging binnen het thema religie in op de opkomst van zendelinggenootschappen. Chatterjee toonde hoe bij zendelingen humanitair, sociaal activisme gepaard kon gaan met religieuze vooringenomenheid over het ‘Heidendom’. In de vroege negentiende eeuw zouden zendelingen een sterke overtuiging hebben dat de gehele mensheid een gemeenschappelijk lot deelde – een notie die verdween in de latere koloniale ideologie met haar indeling in superieure en inferieure rassen.

Melkverkoper, Mumbai (circa 1900). Collectie Bill Douglas Cinema Museum, inv.nr. 62268 .

In de benadering van kolonialisme als cultureel fenomeen, wordt een serie van 36 stereofoto’s uit de collectie van het Bill Douglas Cinema Museum belicht. Sunbeam Tours toonde het dagelijks leven, gecategoriseerd voor het Brits publiek: touwslagers, snoepverkopers, kappers, kleermakers. In de interpretatie van conservator Phil Wickam werden ambachten en bedrijvigheid vastgelegd met de boodschap dat de kolonie een vrije markteconomie was, waar de bevolking ondernemend was en individuele vaardigheden optimaal benut werden.

Het Imperial War Museum biedt op de website een educatieve selectie ‘The Empire called to arms’. In deze video spreekt dr. Santanu Das over de ervaringen van Indiase troepen in Europa gedurende de Eerste Wereldoorlog. https://www.iwm.org.uk/learning/resources/the-empire-called-to-arms