Het tentoonstellen van mensen uit Afrika, Azië, Oceanië en Amerika als curiosum was in de negentiende en vroege twintigste eeuw een wijdverspreide praktijk in Europa. Het themanummer Tussen spektakel en verzet belicht hoe koloniale mensvertoningen in België en Nederland bijdroegen aan de constructie en verspreiding van raciale hiërarchieën. Met bijzondere aandacht voor het perspectief van de tentoongestelde mensen onderzoeken de bijdragen hoe zij deze vorm van exploitatie trachtten te doorstaan, welke strategieën van verzet zij daarbij ontwikkelden, en welke sporen dit verleden tot op heden nalaat. Door deze vaak vergeten stemmen centraal te plaatsen, opent het themanummer nieuwe perspectieven op een diep verankerde maar lang onderbelichte praktijk uit het koloniale verleden.
Inhoud 1.Tussen spektakel en verzet. Koloniale mensvertoningen in de Lage Landen, 1850 – 1915 Parveen Kanhai, Evelien Jonckheere, Miel Groten https://doi.org/10.5117/DMT.2026.1.001.KANH
2. ‘Exotische’ lichamen verbeeld. Etnologie in populariserende anatomische musea in de Lage Landen, negentiende – vroege twintigste eeuw Gitte Samoy https://doi.org/10.5117/DMT.2026.1.002.SAMO
5. ‘Wat achter hun stilzwijgen verborgen lag’. De vertoning van Angolezen in Nederland door L.J. Goddefroy (1888-1889) Parveen Kanhai https://doi.org/10.5117/DMT.2026.1.005.KANH
Namens Miel Groten (Universiteit Leiden) en Evelien Jonckheere (Universiteit Antwerpen) deel ik de Call for Papers voor een themanummer van het tijdschrift De Moderne Tijd. De opvoering in Nederland van Waarheidscommissie van theatergroep Action Zoo Humain vormt de aanleiding om het fenomeen van mensvertoningen in de Lage Landen te belichten. Voorts dank ik de redactie, in het bijzonder Evelien Jonckheere, voor de mogelijkheid mee te helpen aan de totstandkoming van dit nummer.
Brief van impressario Schneidewindt aan de politiecommisaris van de Gentse Wereldtentoonstelling, 1913. Stadsarchief Gent.
Call for Papers
Themanummer zoos humains: voorbij het spektakel van de tentoongestelde mens, 1780-1940
Op 5 oktober 2023 lanceerde theatergroep Action Zoo Humain een reeks Waarheidscommissies in Nederland. Hiermee zet ze een reeks verder die in 2013 van start ging in België en daarbij de hedendaagse toeschouwer confronteert met een ongemakkelijke en nog altijd vrij onderbelichte koloniale praktijk: de ‘human zoo’ of ‘mensentuin’. In deze ‘zoo’ of ‘tuin’ stonden geen dieren, maar mensen te kijk. Het tentoonstellen van zogenaamde ‘exotische troepen’ van mannen, vrouwen en kinderen uit – voornamelijk – koloniale gebieden buiten Europa groeide in de laatste decennia van de negentiende eeuw uit tot een heuse spektakelindustrie. Deze mensonterende praktijk populariseerde het wetenschappelijke racisme dat ten dienste stond van de koloniale propaganda en bijdroeg aan een diep ingebakken racistische blik op de ‘Ander’.
Sinds de jaren 1990 groeit het onderzoek naar ‘ethnographic showcases’, ‘Völkerschauen’ en ‘troupes exotiques’. Het bereikt ook gestaag het grotere publiek via exposities in musea. Vooral de Franse onderzoeksgroep ACHAC, een collectief van academici, journalisten, schrijvers en archivarissen, is toonaangevend in het onderzoek naar de tentoongestelde mens en de vertaling hiervan naar het brede publiek.
Ook in België en Nederland is onderzoek naar de zoo humain opportuun, daar dit inzicht biedt in koloniale propagandamechanismen en hun tentakels die tot op vandaag doorwerken. Een analyse van de koloniale structuren en bijbehorende visuele cultuur kan bijdragen aan zowel de tracering van stereotiepe racistische denkkaders als de deconstructie hiervan. Hoewel de tentoongestelde mens in België en Nederland het onderwerp is van een groeiend aantal studies in het laatste decennium is er niettemin nog braakliggend terrein.
Zo behandelt het gros van de huidige studies casussen die gerelateerd zijn aan de wereldtentoonstellingen. Zeldzamer is echter het onderzoek naar mensententoonstellingen in de commerciële spektakelcultuur (panoptica, variététheaters, kermissen, dierentuinen). Ook wat de periodisering betreft domineren de laatste decennia van de negentiende eeuw wanneer de praktijk haar hoogconjunctuur kende. Niettemin is het ook interessant tentoonstellingen uit de aanloopperiode eerder in de (lange) negentiende eeuw en uit de twintigste eeuw te onderzoeken.
Voor dit themanummer beogen we bijdragen die hiaten dichten in de koloniale spektakelcultuur in de Lage Landen en die de bewustwording en deconstructie van het (post)koloniale verleden en heden vergroten. We zijn geïnteresseerd in analyses van specifieke vertoonde groepen tijdens tentoonstellingen of in spektakelzalen, in onderzoek naar de rol van verschillende actoren en hun netwerken in Nederland en België, alsook in bijdragen over transnationale verbanden, culturele representaties van vertoningen en wetenschapsgeschiedenis.
Abstracts van max. 300 woorden kunnen voor 15 december 2023 worden gestuurd naar parveen.kanhai[@]nationaalarchief.nl. De auteur wordt kort hierna gecontacteerd. Volledige bijdragen van 4000-6000 woorden max. worden ingediend voor peer-review voor 1 juli 2024.
On behalf of Nele Wynants, art and theatre scholar at the Antwerp Research Institute for the Arts (ARIA), University of Antwerp, I would like to share the announcement of the Summer School Performing Science, Mediating Knowledge. Furthermore, I deeply thank Sarah J. Adams for the opportunity to present the lecture ‘Amassing objects, exhibiting people’. The course content of the Summer school includes:
‘Wie hat man sich eine Völkerschau im Detail vorzustellen? Dabei bemühte ich mich, einen ruhigen, sachligen Ton zu finden. Nicht um wertfrei zu bleiben, eine unaufgeregte Beschreibung schließt Kritik nicht aus, sondern im Gegenteil, die Fokussierung auf die Gegebenheiten mit all ihren Details enthält meines Erachtens mindestens so viel Kritik wie eine wortreiche Entrüstung.’
Rea Brändle, Wildfremd, Hautnah (Zürich 2013), 12.
Duitstalige publicaties overziend, kan gesteld worden dat Rea Brändle de belangrijkste onderzoeker was op het gebied van völkerschauen in Zwitserland. Haar vroegtijdig overlijden is -in alle opzichten- een groot verlies.
In haar eerste werk ‘Wildfremd, Hautnah‘ bracht Brändle een groot aantal volkerenshows in kaart, het werk sloot af met een gedetailleerde lijst waarin data, locaties, aantal deelnemers en alle Europese steden die de show aandeed zijn samengebracht. Dergelijke lijsten zijn typerend voor het Duitse onderzoek naar volkerschauen, maar Brändle bracht het verhaal achter deze feiten tot leven te brengen op de ‘ruhigen, sachligen Ton’ die zij voorstond. Van grote waarde is haar werk over de Togolees Nayo Bruce, die van 1895-1919 in meer dan 220 steden te zien was in volkerenshows, side shows, variététheater en kermissen.
Delpher – Provinciale Geldersche en Nijmeegsche courant, 4 oktober 1907
Brändle merkte in haar boek op dat het niet mogelijk was alle optredens van het gezelschap in de jaren 1907-1911 te reconstrueren. Via Delpher kon ik achterhalen dat Bruce en zijn groep in 1906-1907 en in 1909 in Nederland te zien waren. In 1906 deden zij de kermis aan van Heerenveen en Etten, in Den Haag en Rozendaal was het huis waar ze verbleven toegankelijk voor bezoekers.
Geheugen van Nederland, omschrijving: ‘HL 3230-2 Surinamer in Amsterdam, 1909.’ Foto uit tijdschrift ‘Het Leven’, waarschijnlijk gaat het om twee leden van de groep ‘Mandigo krijgers’.
In 1909 leidde Bruce de zogeheten ‘Mandigo krijgers’, ze trokken langs vijf Nederlandse steden en waren van 12 september – 10 oktober te zien in het Tolhuis aan het IJ te Amsterdam.Via ‘het Geheugen van Nederland’ vond ik een foto uit tijdschrift ‘Het leven’. In het bijschrift worden twee mannen die door een Amsterdamse straat lopen omschreven als ‘Surinamers in traditionele kleding’. Het tijdschrift heb ik nog niet kunnen inzien, maar de beschrijving spreekt tevens over ‘Een paar negers uit het “kamp” in ’t Tolhuis.’ Het lijkt mij dat op de foto twee leden van de groep van Nayo Bruce zijn vastgelegd. Ik had het willen voorleggen aan Brändle, tot mijn spijt ben ik te laat.
De uitgave Verflechtungen is lesmateriaal voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs en volwassenen, samengesteld door KZ-Gedenkstätte Neuengamme en de universiteiten van Augsburg en Hamburg. De uitgave bestrijkt een breed terrein. Op het voorblad van Verflechtungen is op de foto rechtsboven is het monument voor Anton De Kom in Amsterdam te zien, linksonder is zijn portret opgenomen. Download het boek hier. Graag dank ik mevr.dr. Susann Lewerenz , een van de auteurs, voor het mogen gebruiken van de foto van het tentoonstellingspaneel met Anton de Kom.
NRC Handelsblad bracht op 25 oktober 2018 een ‘Special koloniale roofkunst’ uit. Zowel het verzamelen van etnografica als het tentoonstellen van mensen behoren tot het negentiende eeuwse tentoonstellingscomplex, vandaar dat het van belang is kennis te nemen van deze actuele discussie.
De artikelen in de NRC- bijlage hebben minder oog voor een structurele ongelijkheid die gepaard gaat met het feit dat Europese instellingen Afrikaanse kunstschatten beheren: de kennisproductie vindt in het Westen plaats. Sylvester Okwunodo Ogbechie, verbonden aan de University of California in Santa Barbara (USCB, behandelt dit in een registratie van een lezing die is gebaseerd op zijn boek ‘Making history. African collectors and the canon of African art.‘
De vorming van de canon begon in de negentiende eeuw,
gelijktijdig met het kolonisatieproces van Afrika. Ogbechie merkt op dat de
culturele rijkdom zo overging van Afrikaanse producenten naar niet-Afrikaanse
verzamelaars en instellingen. Zijn belangrijkste punt is echter dat de objecten
vanaf het moment dat zij deel uitmaakten van Europese museale en private
collecties, onderdeel werden van de westerse kennisproductie. Ze werden
nauwkeurig nagetekend of gefotografeerd,
gedetailleerd omschreven, als ‘topwerk’ getoond in tentoonstellingen en
opgenomen in prestigieuze catalogi – een proces waarbinnen iedere fase het
object dieper in de canon verankerde.
Ogbechie vervolgt dat deze canon statisch is: het is vrijwel
niet mogelijk hier nieuwe werken in op te nemen. Dit geldt onder meer voor
kunstobjecten die al opeenvolgende generaties in het bezit zijn van
(vooraanstaande) Afrikaanse families en het continent nooit verlaten hebben. Ogbechie
maakt duidelijk dat juist omdat de
werken zich in Afrika bevinden, er twijfels bestaan over de antiqiteit en
authenticiteit. Hij verklaart dit als
volgt: de voorwerpen die werden
verzameld in het koloniale tijdperk waren in eerste instantie representatief
voor een specifieke periode: namelijk die waarin ze verzameld werden. Het
ontbreekt in het Westen aan kennis over het langere proces waar de objecten
deel van uitmaken; er waren eerdere vormen waar zij op voortborduren en latere
vernieuwingen. De canonisering van werken uit de koloniale periode verhindert
dat dit proces in ogenschouw wordt genomen. Ogbechie illustreert dit met de
bronzen van Benin, die in westerse musea terecht kwamen na een strafexpeditie
van de Britten in 1897. Na de strafexpeditie bleven de gildes voor
bronsbewerking bestaan – maar werken die zij in de twintigste eeuw
vervaardigden werden niet beschouwd als authentiek omdat ze tot behoorden tot
de in 1897 ontstane collectie. Dit eerste deel van de lezing bevat ook een
voorbeeld uit Ogbechie’s persoonlijke geschiedenis; hij behoort tot een familie
van traditionele heersers, de oba. Het
tweede deel is een illustratie van dit proces aan de hand van stukken van een
Afrikaanse verzamelaar.
In het werk van het Franse collectief ACHAC, zijn invloeden herkenbaar van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Een directe referentie aan zijn werk namen de vijf redacteuren van ACHAC op in hun bundel ‘Human zoos.’ Hier stellen zij dat Europa een traditie kent in het tentoonstellen van mensen. Sinds de zestiende eeuw vormde het bekijken van mensen die fysiek of mentaal duidelijk anders waren een onderdeel van de populaire cultuur. De auteurs wijzen hierbij kort op Foucaults ‘grote opsluiting’ vanaf halverwege de zeventiende eeuw: het afzonderen van armen, zieken, prostituees en bedelaars in instellingen waar zij gedisciplineerd werden. Nu het ‘abnormale’ werd verdrongen naar de marge van de samenleving, ontstond er een grotere behoefte om het afwijkende zichtbaar te maken en te ervaren; reden dat de mensententoonstellingen tot bloei konden komen.1
Het Franse collectief Association pour la Connaissance de l’Histoire de l’Afrique Contemporaine (ACHAC) entameerde in 2011 een publiek debat over het tentoonstellen van mensen met de expositie Exhibitions. L’invention du sauvage in het Musée du Quai Branly. Behorend bij de tentoonstelling werd een catalogus uitgebracht, die de sinds 2002 verschenen wetenschappelijke publicaties aanvulde. In alle uitingen, ook die voor een breed publiek, brengt ACHAC de stelling naar voren dat de archetypes die werden geconstrueerd in de zoos humains voortleven in een collectief onderbewustzijn. De historici rekenen het tot hun maatschappelijke taak erop te wijzen hoe ideeën en constructies over ras en het niet-westen nog altijd van kracht zijn in het hedendaags denken. De documentaire is gemaakt door twee historici van ACHAC, Pascal Blanchard en Éric Deroo .