1887 ‘Ashantijnen’

Aantal personen: 16 volwassenen.
In Nederland: 4 december 1886 – 4 januari 1887.
Impresario: onbekend.

Na een verblijf in de Parijse Jardin d’Acclimatation vanaf september, was een groep Ashanti vanaf december 1887 te zien in de ‘Groote Schouwburg’ aan de Rotterdamse Coolsingel en Theater Diligentia in Amsterdam.

Groep Ashanti die in Berlijn te zien was. Fotograaf: Carl Günther. Collectie Etnografiska Museet, Stockholm, inv.nr. 0069.Ie.0003.b

In kranten werd opgemerkt dat de groep, alvorens zij naar Nederland kwam, al een half jaar in de ‘Europese hoofdsteden’ was te zien.  De ‘exhibition ethnografique‘ van de Ashanti was de eerste volkerenshow van West-Afrikanen die plaatsvond in de Jardin d’Acclimatation. Een jaar eerder, in 1886, hadden wetenschappers zich gedistantieerd van de mensententoonstellingen in de zoölogische tuin van de Franse hoofdstad. Mede hierdoor, schrijft onderzoeker Bergougniou, is het niet geheel zeker of de mannen en vrouwen daadwerkelijk uit Ghana, het toenmalige Goudkust, afkomstig waren. 1

Nederlandse bladen spraken van een groep van zestien volwassenen, waaronder tien mannen, en één baby 2 Uit advertenties blijkt dat de groep in Theater Diligentia dagelijks te bezichtigen was van 14.00 – 23.00 uur, bezoekers betaalden voor de eerste rang 0, 49 cent en voor de tweede rang 0, 25 cent. Ieder half uur vond een voorstelling plaats, die bestond uit meerdere krijgsdansen, een bruiloftsdans en gebed.3 Onderzoeker Schneider merkt op dat het optreden van de groep sterk gericht leek op sensatie en spektakel. De kostuums van dierenhuiden en attributen die de groep hanteerde dienden om hun ‘wildheid’ en ‘woeste aard’  te onderstrepen. 4

Vertoog
De Maas- en Scheldebode (1886-1937) plaatste een ondubbelzinnige veroordeling van de mensententoonstelling. De bode gold als het antirevolutionair orgaan voor de eilanden van Zeeland en Zuid-Holland. 5 De religieuze signatuur weerklinkt in de klacht over deze ‘gruwel’:

Maas- en Scheldebode, 30 december 1887.
stem: Theo Goemaat

De kranten verschilden sterk in hun omschrijvingen van de tien mannen en vier vrouwen op het podium. Het nieuws van den dag merkte op: ‘Gelijk men weet, hield deze menschensoort zich nog van tijd tot tijd met menscheneten onledig; iets van dien trek lag, naar men zeggen zou nog in sommiger ogen.’6 De Amsterdamse correspondent van de Goessche Courant typeerde hen als ‘onvervalschte wilden’: ‘afschuwelijk leelijke kerels met hun bijna roetzwarte huid, hun dikke lippen, dichtgekroesde wolharen en hun afzichtelijken grijnslach. […] De vrouwen, zoo mogelijk nog leelijker, zijn veel kleiner en in tijgervellen gehuld […]’ 7

Andere kranten leken onder de indruk van de ‘flinke’ en ‘krachtige’ bouw van vooral de mannen. 8 Het imposante fysiek van de Afrikaanse ‘krijgers’ bracht een anonieme briefschrijver tot overpeinzingen over de Nederlandse soldaten in de Ajeh-oorlog (1873-1942):


N.C.C. ‘De Ashantijnen’, De Amsterdammer, herdrukt in De locomotief, Semarangsch handels- en advertentieblad (14 februari 1888).
stem: Julius Goedhart
Affiche van het optreden van de Ashanti in de Jardin zoologique d’Acclimatation, Parijs. Collectie: Bibliothèque nationale de France, ENT DN-1 (LEVY,Emile/11)-ROUL

1845 Azil

Aantal personen: 1
In Nederland: juni 1845, Leiden.
Impresario: Paganini

Sedert lang bezig zijnde met Europa te doorreizen, heeft zij al de hoofdsteden bezocht, en op deze langen togt heeft al het woeste van haar karakter plaats gemaakt voor zachtere zeden’, aldus de Leydse Courant in een aankondiging. 1 Reeds achttien jaar trok Azil door Europa toen zij op de Kermis in Leiden te zien was. Er zijn geen documenten waarin zij stem geeft aan haar biografie, haar emoties of ervaringen. Verspreid in Europese bibliotheken zijn wel programmaboekjes bewaard gebleven die waarschijnlijk te koop waren tijdens haar optredens en tekst van een toneelstuk uit 1830  waarin zij zichzelf speelde. 
De Italiaanse historica Francesca Bertino wist acht edities van het programmaboekje te achterhalen en gebruikte deze om de komst van Azil naar Europa en de gelegenheden waar zij geëxposeerd werd in kaart te brengen. De feiten die hier worden gegeven zijn afkomstig van impresario ‘Signor Paganini’.2

Advertentie Leydse Courant (13 juni 1845).

Volgens Paganini zou Azil geboren zijn op Groenland. Haar ouders zouden tijdens de zeehondenjacht schipbreuk hebben geleden aan de kunst van Canada, alwaar ze gevangen werden genomen door de ‘Osage’ – de Franse benaming van Ni-u-kon-ska, een  autochtoon Noord-Amerikaans volk. De ouders werden om het leven gebracht en Azil, een baby nog, werd ondergebracht bij een Osage-gezin aan de oevers van de Missouri. In het relaas van Paganini zou de pelshandelaar Captain Hunt getroffen zijn door de aanblik van het meisje en haar in zijn gezin hebben opgenomen. Zo groeide Azil op in Louisiana, waar ze werd gedoopt en Frans leerde. 3 Bertino wijst op hetgeen ontbreekt in het pamflet van impresario Paganini: hoogstwaarschijnlijk verwierf hij het eigendom over Azil op basis van een zakelijke transactie, maar hij wijdde geen woord aan de verkoopsom of een contract. Bertino toont op basis van verschillende uitgaves van het pamflet dat de tekst werd herschreven om de vrije wil van de jonge vrouw sterker te benadrukken. 4

Paganini toonde Azil eerst in Frankrijk. Vervolgens zou ze voorgesteld worden aan Noord-Italiaanse vorstenhuizen en de belangrijkste steden van het Habsburgse Rijk aandoen, waaronder Weren. In 1830 ging in Venetië een theaterstuk in première over haar levensverhaal, zoals verteld door Paganini,  Le avventure di Azil giovane esquimese del Groenland (de avonturen van Azil, een jonge Eskimovrouw uit Groenland). Het is niet met zekerheid te zeggen hoe vaak het theaterstuk werd opgevoerd, wel is uit de verspreiding van de tekst op te maken dat Azil te zien was in Wenen (1834), Boedapest (1836), Cremona (1840), Turijn (1841) en Graz (1843). Haar aanwezigheid in Leiden is in dit licht interessant, omdat er uit blijkt dat zij langer door Europa reisde dan tot nog toe bekend was.

2011 Jenkins, Reading an image in the Other context

Reading an image in the Other context from Matt Gainer on Vimeo.

Door de één beschouwd als een onlosmakelijk onderdeel van de Europese expansie, voor de ander één van de grootste sociale bewegingen van de negentiende eeuw: de protestantse zending en katholieke missie in Azië, Amerika en Afrika. Naast de talrijke tekstuele bronnen van deze bewegingen zijn er objecten bijeengebracht waarvan een deel nu door musea wordt beheerd. Ook zijn er omvangrijke fotocollecties: het aantal fotograferende zendelingen en missionarissen nam toe na 1880, toen de benodigde apparatuur lichter werd en eenvoudiger was te bedienen.

Deze fotocollecties zijn digitaal toegankelijk. De SOAS University of London (School of Oriental and African Studies) beheert bijvoorbeeld de archieven van de London Missionary Society (1795) – een organisatie die de oprichters van het Nederlands Zendelinggenootschap (1797) inspireerde. De Basler Mission (1815) maakte meer dan 67000 bestanden digitaal doorzoekbaar. Zendelingen van deze Duitse organisatie waren vanaf de jaren 1820 aanwezig in Ghana, destijds Goudkust genoemd. Historicus Paul Jenkins, voormalig hoofd van het Basler archief, toont in bovenstaand ‘visueel essay’ de complexiteit in het duiden van foto’s. Zijn uitgangspunt is een foto van pastoor Koranteng en zijn familie. Waarom neemt niet de pastoor maar zijn vrouw een centrale positie in op de foto? Een vrouw die traditioneel gekleed is, waar pastoor Koranteng onberispelijk in een westers pak is gestoken. Het echtpaar had een zoon – waarom ontbreekt hij en zijn vier vrouwelijke nakomelingen vastgelegd? In de beantwoording van deze vragen schetst Jenkins een Ander perspectief , waarin hij duidt hoe de mensen die werden gefotografeerd invloed uitoefenden op de wijze waarop zij werden vastgelegd. Het essay is gemaakt voor het International Mission Photography Archive (IMPA).

1825 Krenak

Aantal personen: 2
In Nederland: juli 1825, Rotterdam.

Op de Rotterdamse kermis waren in 1825 een man en een vrouw te zien die zouden behoren tot de inheemse bevolkingsgroepen Puri en Krenak. Ze waren te bezichtigen in een tent bij de Franse kerk op de Hoogstraat. Hoe lang de man en vrouw in de stad verbleven is niet te herleiden, wel meldt de advertentie dat het verblijf verlengd werd ter gelegenheid van de verjaardag van koning Willem I (1772-1843).

Uit een vertaald verslag van de Journal de Bruxelles blijkt dat voor hun komst naar Rotterdam de twee Brazilianen de Zuidelijke Nederlanden aandeden. ‘Vele aanzienlijke leden hebben hun reeds een bezoek gegeven, en men kan de vriendelijkheid niet genoeg prijzen van hem, die belast is nopens de nieuwe souvereinen de verlangde inlichtingen te geven’,  schreef de Journal, wat doet vermoeden dat een impresario de optredens begeleidde.1 ‘De bijzondere vorming harer onderlip’, waarmee de advertentie in de Rotterdamsche Courant mee besluit, verwijst naar het gebruik platen aan de te brengen om de onderlip op te rekken.  De Krenak werden dan ook ‘Botocudo’ genoemd,  afgeleid van het Portugese woord botoque, plug.



1881-1882 Kawaskar

Calafate, Zoológicos Humanos from Enrique Ramirez on Vimeo.

Twee weken nadat alle Inuit overleden die in een völkerschau waren getoond, besloot Carl Hagenbeck in Hamburg een groep mensen aan te kopen van scheepskapitein G. Schweers.1 De vier mannen, vier vrouwen en drie kinderen behoorden tot de Kawaskar, een groep die leeft op de archipel Vuurland. Als de ‘Vuurlanders’  waren ze te zien in Parijs, Duitsland en Zwitserland. Zes leden van de groep overleden tijdens deze tournee.

Diverse Nederlandse dagbladen berichtten over de aankomst van de groep in Hamburg. Kapitein Schweerszou hen hebben ‘overgehaald om eens een reis naar Europa te doen’.2 Historici gaan er echter van uit dat hun komst niet vrijwillig was; waarschijnlijk werden zij in juni 1881 bij de Hermite-eilanden gevonden door een Chileense zeehondenjager dien hen doorverkocht aan de Duitse kapitein.3

Hagenbeck toonde de groep als eerst in de Jardin d’Acclimatation te Parijs. De correspondent van de Amsterdamsche Courant schreef over zijn bezoek aan het ‘ gezelschap menschen-eters’: ‘ Het zijn zeer geprononceerd dierlijke typen; kleine hoofden, platte neuzen en enorme monden.’ Het is niet duidelijk of de correspondent gebruik heeft gemaakt van publicitair materiaal van de firma Hagenbeck om het veronderstelde kannibalisme van de groep te beschrijven: ‘ In hun land bestaat het gewone voedsel uit visschen en uit lijken van drenkelingen, die de zee op hun kusten werpt. In het koudste jaargetijde […] verslinden zij elkander.’ 4


Fotograaf: Gustave Le Bon (?), Fuégiens, 1881. Collectie Bibliothèque nationale de France, département Société de Géographie,, Paris, inv.nr. ark:/12148/btv1b5964487v

In de Franse hoofdstad kwam als eerst een kind te overlijden – de berichtgeving bereikte ook de Nederlandse dagbladen. Het Rotterdamsch Nieuwsblad meldde dat het niet direct mogelijk was het meisje te begraven omdat er geen geboorte-akte kon worden overlegd. ‘Eindelijk heeft de rechtbank daarin beslist en werd het kind op een eenvoudige wijze ter aarde besteld, tot grooten spijt van vele Parijzenaars, die op een aantal zonderlinge ceremoniën der Vuurlanders hadden gerekend en reeds vroeg aan het kerkhof hadden postgevat.’ 5

Het zesweekse verblijf in Parijs zou rond de 400,000 bezoekers hebben getrokken.6 Vervolgens werd de groep tentoongesteld in de diergaarde van Berlijn. De  Provinciale Drentsche en Asser Courant merkte op dat het ‘dom, maar vreedzaam volkje’  werd ondergebracht in een leegstaand gedeelte van het struisvogelhuis 7
Tijdens hun verblijf in Berlijn werd de groep bezocht door Duitse wetenschappers. Zij onderwierpen alle leden van de groep aan lichamelijk onderzoek, waarbij ze bijzondere belangstelling koesterden voor de geslachtsdelen. Zij stelden vast dat de clitoris van de vrouwen ‘niet aapachtig groot’  was. Tot hun spijt konden zij geen uitspraak doen over de aanwezigheid van een maagdenvlies bij de meisjes van drie en vier jaar, omdat zowel de kinderen als hun moeders zich hier hevig tegen verzetten. 8

Na het verblijf in Berlijn openbaarden zich ziekteverschijnselen bij verschillende leden van de groep. Een van de volwassen vrouwen overleed onderweg naar Zürich; haar stoffelijk overschot werd overgebracht naar de anatomische afdeling van de universiteit van Zurich.9 Tijdens de völkerschau in Zurich bleek dat alle ‘ Vuurlanders’ de mazelen hadden. Hoewel ziekteverschijnselen als rode vlekken en koorts zichtbaar waren voor de toeschouwers, werden de zieken nog een week tentoongesteld.10 In een ziekenhuis te Zurich overleden drie leden van de groep. Dit bood medici alsnog de kans geslachtsdelen gedetailleerd te onderzoeken, organen te preparen en schedels te lichten. De schedels en skeletten werden aan het nieuw opgerichte antropologisch instituut geschonken.11

In 2008 wist de Chileense documentairemaker Hans Mülchi deze lichaamsresten te ontdekken temidden van de vele menselijke overblijfselen  in het instituut in Zürich. De resten waren bewaard gebleven met de namen die kapitein Schweers ze tijdens de zeereis naar Europa had gegeven. Senor Capitano, Antonio, Pedro en Henrico voor de mannen. Voor de vrouwen waren namen bedacht als Catherine, Lise, Grethe en Piscouna. De twee kleine meisjes werden Forsch en Dickkopf genoemd.12
Mülchi zette de repatriering van de vijf overleden Kawaskar in gang. Na een staatsceremonie werden de Kaweskar rituelen uitgevoerd voor de vijf doden – de manden met hun overblijfselen zijn bijgezet in grotten op het eiland Karukink’a.13