1880-1881 Inuit, Labrador.

In 1880 presenteerde Carl Hagenbeck een völkerschau van acht Inuit uit Labrador. Na een zware boottocht vanuit Groenland waren zij te zien in Hamburg, Berlijn, Praag, Frankfurt en Darmstand.  Geen van de Inuit zou deze tournee overleven.

Hagenbeck had in 1877 een eerste völkerschau met Inuit georganiseerd. Deze groep, twee jonge mannen en een moeder met twee kinderen, was voor Hagenbeck geworven door Johan Adrian Jacobsen (1853-1947) die medewerking had gekregen van de Deense autoriteiten. Bij zijn tweede reis in 1880 wilde Jacobsen aanvankelijk dezelfde mensen als in 1877 werven, maar ditmaal verleenden de autoriteiten geen toestemming voor het gezin dat destijds zoveel succes had geoogst.1

Omdat zijn pogingen om mensen te werven op Groenland vergeefs bleven, zag Jacobsen zich gedwongen verder Labrador in te trekken. Hier bezocht de Noor Jacobsen gemeenschappen die waren gegroeid rond de zendingsposten van de Moravische broeders – ook bekend als Hernhutters. In de gemeenschap Hebron, opgericht in 1831, vond Jacobsen de christelijke Abraham Ulrikab bereid om als tolk op te treden. In Hebron vergaarde Jacobsen een etnografische objecten  – naar later bleek waren deze deels uit graven geroofd. 2


Het gezin van shaman Terrianak, echtgenote Paingo en dochter Noggasak. Mogelijk genomen tijdens de völkerschau in Hamburg. Collectie Wereldmuseum – Nationaal Museum van Wereldculturen, inv.nr. WMR / 903482.

Jacobsen wist slechts één gezin te overreden de boottocht naar Duitsland te ondernemen: de shaman Terrianak, zijn echtgenote Paingo en hun dochter Noggasak. De Hernhutters hadden er geen bezwaar tegen dat dit ‘heidense’ gezin in Europese dierentuinen te zien zou zijn. Zij hadden daarentegen grote bezwaren tegen het  voor geld exposeren van christenen ‘als wilde dieren.’ Ondanks de weigering van de Hernhutters besloot de tolk Abraham met zijn echtgenote Ulrike, zijn dochters Sara en Maria en zijn neef Tobias Jacobsen naar Europa te volgen. 3

Abraham Ulrikab is een van de weinige deelnemers aan een völkerschau die een getuigenis naliet. Wellicht geïnspireerd door het dagboek dat Jacobsen tijdens de reis bijhield, begon Ulrikab een dagboek en schreef hij brieven aan de Hernhutters die werden gepubliceerd in het Missionsblatt der Brudergemeinde. 4
Het originele dagboek van Abraham Ulrikab is verloren gegaan. De Duitse vertaling die Hernhutter ‘broeder Kremtscher’ na Ulrikabs overlijden maakte, is in diverse onderzoeken gebruikt. Hartmut Lutz bewerkte het negentiende eeuwse Duits tot modern Engels, waaruit onder meer bleek dat de vader van Abraham een schuld bij de Hernhutters had opgebouwd, die na zijn overlijden op Abraham was overgegaan. Het optreden in de völkerschau bood zo een kans de schuld aan de broeders af te lossen en aan diepe armoede te ontkomen.

Artsen weten het overlijden van de vijftienjarige Noggasak aan diepe heimwee en ‘het gebruik van te veel lekkernijen, de toeschouwers haar geven. Haar maag verdroeg enkel traan en spek.’ 5 Haar lichaam werd in Darmstadt begraven.  De Leeuwarder Courant schreef: ‘De ouders wilden haar volstrekt naar hun eigen landsgebruik begraven, namelijk het lijk op den grond nederleggen en met aarde en steenen overdekken. […] Het eenige wat kon worden toegelaten, was, dat het lijk in vellen gewikkeld in de doodskist werd gelegd.’6


Portret van Ulrike, met op haar rug Maria, mogelijk gemaakt tijdens de völkerschau in Hamburg. Collectie Wereldmuseum – Nationaal Museum van Wereldculturen, inv.nr. WMR / 903481.

Toen moeder Paingo tien dagen na haar dochter overleed, realiseerde Jacobsen zich dat hij had verzuimd de acht Inuit tegen de pokken te laten inenten na hun aankomst in Duitsland. Als derde werd Sara, dochter van Abraham Ulrikab, ziek. Hij beschreef in zijn dagboek hoe Sara zichzelf in slaap zong met het lied ‘Ich bin ein kleines kindelein’. 7
Op de avond dat Sara stierf waren Abraham met zijn vrouw en dochter, neef Tobias en shaman Terrianak per trein onderweg naar Parijs. De völkerschau in de Jardin d’Acclimatation kon niet beginnen zonder dat de groep de benodigde inentingen had ontvangen. Ondanks de inentingen bezweken de vijf overgebleven Inuit begin januari 1881 aan de pokken.  De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant citeerde het Tagesblatt dat constateerde: ‘Dit treurige voorbeeld […] bewijst hoe verbazend snel natuurvolkeren bezwijken als zij door een van onze ziekten worden aangetast.’ 8

Lutz ging er bij het verschijnen van zijn boek in 2005 van uit dat de in Parijs overleden Inuit daar op een onbekende plaats begraven waren. 9. France Rivet, een Canadese lezer van zijn boek, was dermate diep geraakt door het verhaal van Abraham dat zij meerdere onderzoeksreizen naar Frankrijk maakte. Ze wist de lichamelijke resten van Abraham, zijn gezinsleden en de shaman Tigiannak terug te vinden in museale collecties in Parijs en Berlijn. 10

2012 – Völkerschau im Zoo

Dit fragment is afkomstig uit de langere documentaire ‘Wir und der Zoo’ (2012) over de dierentuinen in het Zwitserse Zürich en Basel. Er wordt een bezoek gebracht aan het stedelijk archief van Basel, dat de foto’s beheert van de Zoologischen Garten Basel. In dit fragment worden vijf foto’s (14.15-14.51 minuten) getoond van een völkerschau van de groep ‘Krieger des Mahdi’ uit 1898. Uit de eerste foto wordt duidelijk dat de schau plaatsvond achter een omheining – zodat de Afrikanen op verre afstand bleven van de bezoekers. De vólkerschau in de dierentuin van Basel was onderdeel van een grote Europese rondreis, waarbij de groep ook Amsterdam aandeed. Van 13-25 september 1898 was de groep, bestaande uit 35 personen, te zien in de Tolhuistuin.

Vervolgens is in het fragment te zien hoe in het archief een affiche wordt uitgevouwen (14.54-15.12 minuten) waarop een völkerschau van de ‘Sara Kaba’ wordt aangekondigd. Ook deze groep deed meerdere steden in Europa aan en was in 1931 in onder meer meer Groningen, Doetinchem, Enschede en Alkmaar te zien.
De documentairemakers laten Balthasar Staehelin aan het woord, auteur van de in 1993 verschenen studie ‘Völkerschauen im Zoologischen Garten Basel, 1979-1935’ (16:40-18.33 minuten). Staehelin benadrukt hier dat de völkerschauen fungeerden als een “publieksmagneet” voor de dierentuin. Het fragment eindigt met de laatste völkerschau in de dierentuin van Basel: een groep Marokkanen in 1950.

1880 ‘Nubiërs’


R. Riedel, Nubiër, 1880. Gemaakt in Zürich. Collectie Wereldmuseum – Nationaal Museum van Wereldculturen, inv.nr. WMR / 906564.

Carl Hagenbeck organiseerde in 1878 zijn tweede völkerschau, waarvoor hij ‘Nubiërs’ koos. In de beschrijving van twee portretten uit de collectie van het Wereldmuseum te Rotterdam, is opgenomen dat foto’s gemaakt zijn Zürich, augustus 1880. Uitgaande van deze locatie en datum gaat het hoogstwaarschijnlijk niet om de tweede völkerschau van Hagenbeck, maar om  een show van zijn concurrenten: de gebroeders Willy en en Heinrich Möller. 1

Evenals Hagenbeck bezaten de Möllers een dierhandel in de wijk St. Pauli in Hamburg. Willy Möller reisde naar de regio Soedan af voor de jacht op roofdieren en verzond deze naar Triëst of Marseille. Vervolgens gingen de dieren op transport naar Hamburg, waar Heinrich Möller ze verkocht aan menagerieën en dierentuinen. 2

Voor de völkerschau van 1880 had Willy Möller ‘tien mannen en twee vrouwen van verschillende stammen’ geworven. In navolging van Hagenbeck presenteerden de Möllers de groep als ‘Nubiërs’,  het klonk primitiever dan Soedanezen en hield een belofte van exotiek in zich. Echter, de mensen die werden geworven behoorden tot de christelijke en islamitische bevolkingsgroepen en spraken vaak uitsluitend Arabisch. 3

De twaalf mensen werden in deze völkerschau getoond met ruim  dertig dieren,  waaronder zes dromedarissen, drie giraffes, drie apen en twee kleine olifanten. 4

Woordkeuze

Op dit blog worden er verschillende benamingen gehanteerd voor hetzelfde verschijnsel: human zoo, mensvertoning, volkerenshow en völkerschau. De term human zoo is gelanceerd door de Franse onderzoeksgroep Achac rond het jaar 2000. Een bezwaar tegen de term is dat deze in contemporaine bronnen niet voorkomt. Niettemin is hier voor de term gekozen omdat het werk van Achac tot nieuw onderzoek en nieuwe perspectieven heeft geleid in geheel Europa.

De organisatoren van de volkerenshows werden vanaf de negentiende eeuw aangeduid als ‘impresario’ – deze term is op dit blog gehandhaafd. Andere termen uit de tijd van de volkerenshows zijn aangepast. Waar destijds de termen ‘karavaan’ en ‘troep’ gebezigd werden, is hier ‘groep’ gebruikt. Organisatoren gaven benamingen aan groepen die niet zelden geografisch onjuist waren. Deze namen zijn om die reden tussen aanhalingstekens geplaatst, zoals ‘Soeaheli’, of ‘Amazonen van Dahomey.’

Het n-woord wordt op dit blog wel gebruikt, hoewel de geschiedenis van het woord en de daarmee verbonden ideeën uiterst krenkend zijn. Zo wees intercultureel filosoof Heinz Kimmerle (1930-2016) op Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) die zwarte mensen karakteriseerde als wilden, een uitbeelding van de ‘boosaardigheid van de menselijke natuur’. Volgens Kant kwam de mensheid ‘tot haar hoogste volkomenheid’ in het ‘witte ras’ van de christelijke Occident. ‘De gele indianen hebben al mindere talenten. De negers zijn veel dieper en op het diepste punt staat een deel van de Amerikaanse volksgroepen’.1

 Kimmerle vervolgde dat de racistische vooroordelen uit de Verlichting door Hegel werden geïncorporeerd in diens filosofie van de rede – en aldus gerechtvaardigd werden.2 In zijn colleges over de filosofie van de geschiedenis sprak Hegel:
‘Der Neger stellt, wie schon gesagt würden ist, den natürlichen Menschen in seiner ganzen Wildheit und Unbändigkeit dar […] es ist nichs an das Menschliche Anklingende in diesem Charakter zu finden […] Dieser Zustsand is keiner Entwicklung und Bildung fähig, und wie wir sie heute sehen, so sind sie immer gewesen.’3

Deze opvattingen waren verankerd in de denkwereld en de sociale praktijk die de voorwaarde vormden voor de human zoos, reden dat is gekozen voor handhaving van het n-woord in de citaten.