1858 Lucknow

Ever since cameras were invented in 1839, photography has kept company with death.
Susan Sontag, Regarding the pain of Others (2003).

Een groot aantal werken van de fotograaf Felice Beato (1832-1909) is te zien in gedigitaliseerde collecties. Het Victoria and Albert Museum en het J. Paul Getty Museum plaatsten respectievelijk achthonderd en duizend werken op de eigen website en Google Arts & Culture. In dit blogbericht komen enkele foto’s aan de orde die Beato in Lucknow maakte, na de beëindiging van de Indiase Opstand (1857-1858).

Felice Beato, Panorama of Lucknow: View of Devastation Wrought by Lucknow Massacre., 1858. Eerste deel van een panorama bestaande uit zes afzonderlijke foto’s. Collectie J. Paul Getty Museum, Los Angeles, inv.nr. 84.XO.1168.1.1.

Lucknow was de hoofdstad van het vorstendom Awadh (1722-1856). Historici beschouwen de Britse annexatie van Awadh in 1856, met de gedwongen abdicatie van koning Wajid Ali Shah, als een beslissende factor in het uitbreken van de Indiase opstand. Rudrangshu Mukherjee benadrukt dat de annexatie een radicale breuk forceerde in de verhouding tussen aristocratische grootgrondbezitters (talukdars) en de landbouwers die hun grond bewerkten. De talukdars genoten groot aanzien in de traditionele orde – die niet vrij was van paternalisme, uitbuiting en corruptie. Niettemin, zo schrijft Mukherjee, deelden grondbezitters en boeren gemeenschappelijke belangen en was er een wederzijdse afhankelijkheid.1

Direct na de annexatie voerden de Britten een systeem in voor de afdracht van de landopbrengsten. Enerzijds werd het percentage grond dat in handen was van de talukdars gehalveerd, anderzijds stonden boeren niet langer een gedeelte van de graanoogst af maar werd voor hen een strikt stelsel van monetaire belastingen ingevoerd. Als gevolg werd het onmogelijk na een mislukte oogst de schade met het gehele dorp te dragen, noch kon de talukdar bescherming bieden in gevallen van ziekte, overlijden of huwelijk. 2
Mukherjee stelt dat de talukdars zich aansloten bij de opstandige soldaten (sepoys), waarvan een groot deel uit Awadh afkomstig was. De talukdars organiseerden de logistiek van de militaire aanvallen, financierden wapens en ammunitie en rekruteerden onderdanen en boeren om de rangen van de sepoys te versterken.3

Tijdens de opstand werd Lucknow van mei tot november 1857 belegerd door sepoys en hun medestanders. De ontzetting van de stad begon met de bestorming van Sikander Bagh, een van de vorstelijke verblijven, waarbij rond de tweeduizend Indiase soldaten werden gedood. Beato arriveerde vierenhalve maand na de gewelddadigheden in Lucknow en maakte 56 foto’s in de stad.

In haar invloedrijke ‘Regarding the pain of Others’ omschreef Susan Sontag Beato’s foto van de binnenplaats van Sikander Bagh als

A picture of a desolate site where a great deal of dying had indeed taken place, […] one of the first photographic depictions of the horrific in war. Beato constructed the ruin as an unburial ground, stationing some natives by two pillars in the rear and distributing human bones about the courtyard.4

Felice Beato, Sikandrabagh, ca. 1858. Collectie J. paul getty Museum, Los Angeles, inv.nr. 84.XO.1168.6.

Andere auteurs zijn dieper ingegaan op de betekenis van de elementen op de foto. Volgens Bowen nam Beato het gezichtspunt van de Britse soldaten in. De foto van het exterieur van Sikander Bagh suggereert het begin van de overwinning. Door de manshoge kraters in de beschoten muren konden de Britse troepen de binnenplaats bereiken. De foto van de binnenplaats symboliseerde in het Britse perspectief verovering, afstraffing en verdiende vernedering. 5

Felice Beato, Sikandrahbagh After Slaughter of the Rebels by the 93rd Highlanders of 4th Panjal Native Infantry, 1858. Collectie J.Paul Getty Museum, Los Angeles, inv.nr. 84.XO.1168.7

Architectuurhistoricus Khorakiwala wijst op de dominantie van de ruïne in het beeld. Het gehele kader van de foto wordt gevuld door restanten van de paleismuren. De blik van de toeschouwer wordt er als het ware door ingeperkt, gelijk de soldaten die werden ingesloten alvorens te worden gedood. 6 Daarmee wordt de blik van de toeschouwer naar de voorgrond van de foto gedwongen. Op het eerste gezicht lijkt dit een echo van de achtergrond. De arabesken op het timpaan en het fries van het paleis zijn onherkenbaar beschadigd, de binnenplaats lijkt bezaaid met brokstukken. Wanneer het oog er langer op rust blijken het echter menselijke resten: rechts op de voorgrond is een vrijwel intact skelet te zien.

Khorakiwala vat Beato’s centreren van de ruïne op als een voortzetting van negentiende-eeuwse Romantische schilderkunst. Een ruïne in het Engelse landschap symboliseerde de macht van de natuur over menselijke voortbrengselen, als reactie op de overmoed van Industriële Revolutie. Beato legde met Sikanderbagh een koloniale ruïne vast, betoogt Khorikawala. De afbrokkelende structuur van het vorstelijk onderkomen symboliseerde het verval van een ooit glorieuze cultuur, die te gronde ging aan decadentie. 7

Wilcock achterhaalde een juridische bron waaruit blijkt dat de Britse autoriteiten Beato toestemming verleenden om tijdelijke graven met stoffelijke overschotten van soldaten te openen. De auteur acht het onwaarschijnlijk dat Beato zelf de lichaamsresten opgroef en over de binnenplaats van het paleis verspreidde. Het waren Indiërs die hiertoe de opdracht kregen. Deze mannen konden nog aanwezig zijn toen Beato fotografeerde; buiten het kader in afwachting van een volgende opdracht. Evenzeer is het mogelijk dat de vier mannen die op de foto te zien zijn eerst de botten verzamelden, deze vervolgens naar de esthetiek van Beato arrangeerden en tenslotte poseerden te midden van de lijkresten. 8

Felice Beato, Execution of Native Mutineers, ca. 1858. Collectie Victoria and Albert Museum, Londen, inv.nr. 3219-1955.

Het J. Paul Getty Museum hanteert voor de foto van twee ter dood veroordeelden het onderschrift ‘Two Sepoys of the 31st Native Infantry, Who Were Hanged at Lucknow, 1857’.9 Het jaartal van de omschrijving lijkt niet te kloppen, evenmin is zeker of de foto daadwerkelijk in Lucknow gemaakt is. Het Victoria and Albert Museum bezit eenzelfde foto 10 al zijn op de achtergrond nog een klein meer aan de linkerzijde en heuvels rechts in de verte te onderscheiden. De foto van het Getty Museum lijkt een nabewerking waarbij de achtergrond geheel bestaat uit een onbewolkte lucht.

Willcock maakt aannemelijk dat Beato het beeld al manipuleerde tijdens de totstandkoming ervan. Hij roept in herinnering dat fotografie in de negentiende eeuw een bewerkelijke onderneming was, met belichtingstijden, glazen platen, vloeistoffen, camera’s en bedienden om de apparatuur te hanteren. Een ooggetuige van de executie noteerde in zijn dagboek dat Beato op enkele meters van het schavot zijn voorbereidingen trof, in de laatste momenten dat de twee Indiërs nog in leven waren. Direct nadat de ophanging was voltrokken, rende Beato naar de bungelende lichamen en hield deze bij de voeten om de beweging te beëindigen. 11 In het verlengde hiervan kan Beato ook de omstanders opdracht gegeven hebben langdurig eenzelfde houding aan te nemen. Willcock concludeert:

It is in moments such as these that we can see the camera approximating the threat of the cannon: when it worked to freeze Indian bodies in relation to acts of violence, to fix their attention on punitive spectacles, to refuse to allow disturbing slaughters to be part of a forgotten past.12


1840-1855 Unidentified boy of African descent

Kindly I would like to thank Katherine Meyers Satriano
for her help and encouragement.

In March 2021 I emailed the Peabody Museum of Archaeology & Ethnology with a question about a photograph of Omo (Peabody number 35-5-10/53069). At that time, the online catalogue stated the daguerreotype of Omo carried the description “Dudu Unquay”. In the collection of the Peabody Museum, there is one other daguerreotype that contains those two words, it shows a young boy in profile (Peabody number 35-5-10/53073). I asked the Peabody Museum whether they had established a relation between the two images.

Daguerreotype, boy of African descent (ca. 1840-1855). Collection Peabody Museum of Archaeology & Ethnology at Harvard University, id. nr. 35-5-10/53073

Within a few days I received a kind reply from Katherine Meyers Satriano, senior archivist at the Peabody Museum. She informed me she was wondering about a possible connection between the two daguerreotypes. Unfortunately, she couldn’t look at the objects in person due to COVID-19 measures. Nevertheless, a mere week later she followed up on her initial message. She hadn’t been able to find the inscription “Dudu Unguay” on Omo’s image, and she concluded the cataloguing was in error. Besides, she suggested the inscription on the daguerreotype of the young boy in profile, was not “Dudu Unquay”, but “Dudu Unguay”.1

The Peabody number 35-5-10 refers to the accession in 1935 of a group of 33 daguerrotypes collected by Louis Agassiz (1807 – 1873). 2 The naturalist and Harvard professor Agassiz advocated the theory of polygenesis or “separate creation”, arguing that mankind was not only divided into separate races, but also that the races were different species altogether. Widely discussed by scientists as well as laymen, 3 the construction of a racial hierarchy served as a scientific justification for the institution of slavery. In the words of Manisha Sinha: “In the United States, the science of man became the “science of slavery”, serviceable in the cause of enslaving nonwhite, inferior “races” suited allegedly by nature to hard labor in hot climates.” 4

In 1850 Agassiz commissioned the daguerreotypes of Jack, Drana, Delia, Renty, Fassena, Foulah or Alfred, and Jem: Africans and African Americans who were enslaved. Since the rediscovery of the daguerreotypes in 1976, scholars have discussed the images in the context of race, ethnology and scientific racism.
The unidentified boy, like Jack, Drana, Delia, Renty, Fassena, Foulah and Jem, was depicted as a racial type. This also applies to a tintype in Agassiz’s collection, which shows an unknown woman of African descent (Peabody number 35-5-10/53071). Like Drana and Delia, she looks straight into the camera, her upper garments stripped to her waist.

Tintype, woman of African descent (ca. 1840-1855). Collection Peabody Museum of Archaeology & Ethnology at Harvard University, id.nr. 35-5-10/53071.

In Exposing Slavery, Matthew Fox-Amato shows that by the mid-1840s, American slaveholders were already commissioning photographic portraits of the people they owned. A decade later, tintypes were popularized. Showing their entire body, in some instances naked, both front and back, the tintypes facilitated sales of enslaved people. Close scrutiny of the materialized image was equivalent to physical inspections performed at actual slave markets across the slaveholding states.5
It is possible the two photographs were made in the United States, after Agassiz commissioned the photographs of Jack, Drana, Delia, Renty, Fassena, Foulah and Jem. However, Amato-Fox notes that the majority of the photographs of enslaved people were very different from Agassiz images as they followed photographic conventions.6 Therefore, it should be considered the boy and the woman lived in bondage elsewhere in the world.

In an article on daguerreotypes depicting Chinese people in the collection of Agassiz, author Michelle Smiley explains American ethnologists and naturalists corresponded with their European counterparts. Daguerreotypes of enslaved people and “racial specimens” circulated through the international postal service. 7 Furthermore, Agassiz was aware of the proposal of Etienne-Reynaud-Augustin Serres, a professor of comparative anatomy, to establish a museum of photographs of the races of mankind. Serres was inspired by the French daguerreotypist E. Thiesson who had taken studies of Brazilians and Portuguese Africans in Lisbon. 8

Given the fact a distinguished group of scholars has researched the daguerreotypes in the Agassiz’s collection, it seems highly improbable further information on the unknown boy and woman can be found. Yet, the coming months I intend to search for traces of the two photographs in museum collections in Belgium, Brazil, Portugal and France.


1847-1848 Omo

W. & F. Langenheim, Daguerreotype, African youth, portrait (1848), Collection Peabody Museum of Archaeology & Ethnology at Harvard University, id.nr. 35-5-10/53069

The Peabody Museum of Archaeology & Ethnology at Harvard University holds in its collection a daguerreotype from 1848, made by the established Philadelphian brothers Langenheim. The daguerreotype was commissioned by Samuel George Morton (1819-1850), the craniologist whose scientific inquiry served the intents and purposes of white supremacy. 1 The image is described as “African youth. Mounted daguerreotype in case, young boy in school -boy style uniform. Three- quarter view to waist.”
In her latest book, Anna Mae Duane unearthed the story of the person portrayed. Born in southern Africa as Omo, he was exhibited in Boston and became known as “Henry the little Bushman”. In 1849 he died of cholera in the New York Colored Orphan Asylum. 2

advertisement The Daily Atlas, December 12, 1847. The Boston Museum and Gallery of Fine Arts was establised in 1841 by Moses Kimball and functioned as a natural history museum, zoo, wax museum, theatre and art gallery.

Newspapers announcing Omo’s arrival spoke of him as: “a specimen of nature’s production, this evidently connecting link between the animal and rational works of the great Creator.” 3 According to the Boston Statesman, the “Bushmen are supposed to be the next link in the chain to the ourang outang.”4 The Boston Cultivator described the private exhibition at the Boston Museum for “distinguished medical men.” Omo stood on a table with the exhibitor by his side. Meanwhile, the “scientific individuals” carried out measurements, some spectators pulled Omo’s hair, touched his head and poked his ribs, to establish he was a “genuine specimen of the South African race.” 5

Sarony & Major, Litograph, New York journal of medicine (1848). Omo sat two times for the artists who made the lithograph. Source: https://archive.org/details/newyorkjournalo1184forr_0/page/n159/mode/1up?q=bushman

A committee of the Lyceum of Natural History of New York concluded 18-year old Omo had the intellect “like that of a child of 6 or 7 years. […] his mind is too immature to be capable of any serious employment.” The examiners considered this a positive outcome, especially when Omo was compared to “children of savage tribes and those African ones.” Hence it would be incorrect to “stigmatize the Bushmen as the lowest in the scale of mental capacity. He is decidedly intelligent, quick in his perceptions, and possessed of a full share of vivacity.” 6

the logic of the specimen bends both time and space around the Black body, somehow always returning it “home” to slavery […] in the free city of Boston, an African youth found his body held up as commodity, assessed, if not for immediate labor, then for evidence that his race was suited for noting else. […] Certainly he received a treatment similar to that of slaves subject to the auction block […]

Anna Mae Duane, Educated for Freedom (2020) p. 79.

Omo came to Boston as the property of Isaac Chase, the first American consul to the Cape of Good Hope. Chase wrote: “the Bushman which I have brought from South Africa, came into my possession between four and five years ago, from the hands of a trader, who (according to his own account), picked him up in a dying state, while passing through the Bushman country.” 7 I would like to suggest Omo’s plight reflects the enslavement and extirpation that were inflicted on the indigenous inhabitants of southern Africa from the onset of Dutch colonial settlement and expansion.

Widow of Jacob van Meurs (ed.) Map of the Cape of Good Hope and a view of Table Bay (1682). Collection National Library of The Netherlands, id.nr. 388 A 9 part II, after p. 6.
Source: https://www.atlasofmutualheritage.nl/nl/Kaart-Zuid-Afrika-gezicht-Tafelbaai.5654

In 1652 the Dutch East India Company (Vereenigde Oost Indische Compagnie – VOC) established a refreshment station at the Cape of Good Hope, to restock ships on the long sea voyage between Europe and the trading centres in Asia. Dutch historian Matthias van Rossum has conclusively demonstrated the importance of slave labor throughout different parts of the VOC-empire. 8
The extensive shipping network of the VOC allowed for a constantly changing slave trade. From the Cape colony, the VOC undertook slaving expeditions to Mozambique and Madagascar. Moreover, enslaved people were transported from the eastern possessions of the company, notably along the southwest coast of India and the Indonesian archipelago. In the era of legal slave trade (1652-1808) the VOC owned a few thousand “company slaves” in the Cape colony. However, the majority of the enslaved population was owned by private individuals, such as high ranking VOC-officers and proprietors of grain and wine estates. 9

Commando raids

Jan Brandes, Khoikhoi and colonists on the plains of the Cape (1786). In the foreground two Khoikhoi men, followed by two men on horseback, one of whom carries a rifle. In the background a trekboer who returns from Cape Town to his farm. The man walking next to his cart is probably enslaved. As early as the 1730s, commando’s captured Khoikhoi on the western Cape frontier and bound them to servitude Collection Rijksmuseum, Amsterdam, id.nr NG-2017-14. Source: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.667073

Contrary to private estate owners, the so-called trekboers (Dutch for “migrating farmers”) lacked the financial resources to participate in the legal overseas slave trade. From 1657 onwards, the VOC encouraged independent farmers to cultivate the land. Trekboers penetrated the south-western Cape, impinging on the territories of the Khoikhoi herders. Within half a century, these indigenous inhabitants of the Cape peninsula were dispossessed of their land and subjected to forced labor, a process that was completed by 1800. 10
As they moved beyond the arable south-western Cape, the trekboers met with fierce resistance from a diverse constellation of hunter-gatherers, now commonly referred to as “San”. The trekboers used the derogatory appellation Bosjesmans (Dutch for “Bushmen”), indicating they were regarded as a different species to humanity. By the 1770s coordinated attacks of the San had brought colonial expansion into the interior to a standstill. 11

Trekboers prepared to leave for a commando, (ca 1836). Collection Zuid- Afrikahuis, Amsterdam, id.nr. 6.3

The trekboers retaliated with a commando system to crush resistance. Large scale commandos divested vast territories of their inhabitants to open them to the Dutch pastoralists. It was common practise to kill adult San men and enslave the women and children. 12
The slave raids became one of the principal sources of labor and continued until the second half of the nineteenth century. From 1775 onwards, the servitude of captured children was legalized by the so-called “inboekstelsel” (Dutch for: “register system”.) According to Eldredge, the inboekstelsel was “as oppressive as slavery from its inception.” The children were tied as “apprentices” to a household until they were 25 years. However, the law ensuring liberation when captives reached that age, was not enforced.13

When the British seized control of the Cape Colony (1806-1870), they created “Bushmanland” a reserve for the San in the arid north. Nevertheless, the authorities were no able to prevent continuous incursions of the trekboers. Commandos between the late 1840s and the 1860s were not intent on enslaving the San. In the words of De Prada Samper, the operations “can only be understood as part of a premeditated and planned campaign aimed at the complete extermination of the San inhabitants of Bushmanland.” 14 Several authors have stated the massacres committed upon the San in the eighteenth and nineteenth century, amounted to genocide. 15


1897-1905 Eph Thompson

De collectie van her Allard Pierson Museum omvat een portret van Moses Ephraim Thompson (1859 – 1909) een Amerikaanse olifantendresseur die in de periode 1897-1905 meermaals optrad in Nederland.

R. Schwertführer Ephraïm Thompson, Berlijn. Collectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY001015674.

In haar sociaal-culturele benadering van het circus, beschrijft Davis de fundamentele betekenis van de voltooiing van de transcontinentale spoorlijn tussen de oost- en westkust van de Verenigde Staten (1868) voor de ontwikkeling van de amusementsvorm. Zij hanteert de term railroad circus, met wagons voor tenten, voedsel, levende have en slaapwagons; waar honderden mensen in dienst waren en evenzoveel dieren deel van uitmaakten.1 De strikte dienstregeling op het spoor, tezamen met de principes van Taylors scientific management leidden tot een gedisciplineerde en hoogst gespecialiseerde arbeidsverdeling voor het plannen van de tournee, werven van arbeiders, opbouw en afbraak van de tenten en marketing. 2

Launey & Goebel Photographers (1860-1890), twee Afro-Amerikaanse mannen en een vrouw bij een onderkomen van ofwel tot slaafgemaakten ofwel deelpachters – gezien de datering kan het om beide groepen gaan. Collectie Library of Congress, inv.nr. ppmsca 39591 //hdl.loc.gov/loc.pnp/ppmsca.39591

Childress stelt dat deze schaalvergroting van het circus voor Afro-Amerikanen een uitweg bood aan een bestaan als deelpachter 3 Tot het eerste decennium van de twintigste eeuw woonde 90% van de Afro-Amerikaanse bevolking in de zuidelijke staten, waar de plantage-economie tot 1865 in stand gehouden werd door slavernij.
Arbeid in de tweede helft van de negentiende eeuw werd gekenmerkt door deelpacht. Het ontbrak voormalige tot slaaf gemaakten aan middelen om grond aan te schaffen en noodgedwongen huurden zij van de vroegere slavenhouders hun onderkomen, zaden en gereedschap om katoen te telen op hun land. De opbrengsten werden aan de grondbezitter afgestaan als aflossing. Als gevolg van hoge rentes, het verbod om katoenzaad te bezitten, misoogsten en fluctuerende katoenprijzen leefden de deelpachters veelal in schuldslavernij.4

Strobridge Lith Co (1899). Circus van Barnum en Bailey bestaande uit hoofdtent en kleinere tenten. Op de voorgrond, en aan de linker- en rechterzijde van het affiche is een rijdende, rode stoomtrein te zien. Collectie Library of Congress inv.nr ppmsca 54833 //hdl.loc.gov/loc.pnp/ppmsca.54833

Niettemin was het Amerikaanse circuswezen van de negentiende eeuw doortrokken van zowel de ideologie als de structuur van rassenongelijkheid. De grote circussen Bailey en Ringling namen geen Afro-Amerikanen in dienst, bij concurrenten als Wallace, Forepaugh, Sells en Robinson vervulden zij ondergeschikte taken als staljongens, tafelbediendes, dragers en in de opbouw en afbraak van kleinere tenten. Het Amerikaanse circus bestond uit een hoofdtent (big top), de opbouw daarvan was voorbehouden aan de zogeheten‘witte brigades’, en kleinere tenten voor onder meer de menagerie en sideshows. 5
In de sideshows waren Afro-Amerikanen overwegend te zien als ‘wilden’, ‘kannibalen’, of de ontbrekende schakel in de evolutie van aap naar mens.6 Een uitzondering vormden de sideshow bands, die bestonden uit Afro-Amerikaanse muzikanten. 7 De bands werden soms vergezeld door Afro-Amerikaanse acrobaten, koorddansers en jongleerders, maar hun aanwezigheid bleef immer beperk tot de sideshows. 8

Frederick Whitman Glasier, P.G, Lowery Sideshow band – bestaand uit Afro-Amerikaanse muzikanten en, zittend op de eerste rij in wit gekleed, twee zangeressen. De band was bijzonder populair en genoot een grote reputatie. Collectie Ringling Museum, inv.nr 1963.1.701

De ouders van Thompson werden geboren in Kentucky, historicus Green neemt aan dat zij voor het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) naar Canada vluchtten, waar hun drie zoons ter wereld kwamen. 9 Eph Thompson begon als kind van veertien in circus Forepaugh, als waterdrager voor de olifanten. Auteur Daly merkte op dat Adam Forepaugh zijn zoon ‘Addie’ presenteerde als de jongste olifantentrainer ter wereld, maar dat Thompson degene was die daadwerkelijk met de 32 dieren werkte.
And the knowledge of how slaves of his parents’ generation had suffered may have made Eph Thompson all the more receptive to a radical philosophy based on gentleness. With the avowedly brutal Addie taking the credit, but the gentle Thompson most likely doing the actual training, the motivating principles would have been praise and rewards.’ 10

The comic boxing elephant Tom with Eph Thompson’.
Bron: http://bucklesw.blogspot.com/2007/01/eph-thompson-2.html

Thomspon voerde een act uit waarin hij een bokswedstrijd met één van de olifanten aanging, in het circus van Forepaugh was dit de olifant John L. Sullivan. The Washington Post deed verslag: ‘Sullivan was brought out and a glove was fitted to his trunk. The soft gloves fell without apparent effect on the animal’s thick hide, while the blows frorm his trunk were delivered with force, even if precision was lacking. The first round closed with a victory for the elephant. He sat down and was rubbed and fanned by two attendants.’ 11
Davis beschouwt de act als een verlengde van minstrel shows. Waar bijvoorbeeld witte leeuwentemmers heer en meester waren over de dieren, speelde Thompson een dommige lafaard, de olifant sloeg hem op zijn achterwerk of liet hem door de lucht tuimelen. Op het affiche wordt dit versterkt door de aanwezigheid van de clown, gekleed in hetzelfde kostuum als Thompson. Koorddansers en acrobaten voerden uiterlijk onbewogen levensgevaarlijke kunststukjes uit, de clown daarentegen zette het al gillend op een rennen bij het zien van een muis. 12

Thompson vertrok in 1885 naar Europa. Hier werkte hij voor Carl Hagenbeck, die in april 1887 een eigen circus oprichtte. In december 1887 berichtten verschillende Nederlandse nieuwsbladen op basis van de Hamburger Nachrichten over Thompson en zijn liefde voor schoonrijdster Dolinda de la Plata (1870-1965). Volgens de artikelen was Thompson grote eer ten deel gevallen na zijn optredens voor Renz en Hagenbeck. Vanwege het verzet van De La Plata’s ‘pleegvader’ 13 tegen de relatie, vluchtte het paar tijdens een optreden in Bremen. Thompson vond een engagement bij het Solansky Circus in St. Petersburg, waar de Amerikaanse consul het paar in de echt verbond.14

Advertentie in The Era (2 mei 1896).

Vanaf het begin van de jaren 1890 was Thompson te zien op prestigieuze podia, zoals in 1893 Covent Garden te Londen:
Eph Thompson may well claim that his five elephants are exceptional animals in point of intelligence, docility, and careful training. Four of them “waltzed” with the utmost gravity and accuracy of step. One animal raised his instructor from the ground, holding him between its trunk and large tusks ; it also perambulated the stage, limping on three legs. Music-stands and instruments being placed before the pachyderms, they showed their skill in turning the handles of organs, in playing on bells and on the big drum. Finally, a couple of them sustained a wire on which Madlle. Dolinda de la Plata poised herself and executed some intricate evolutions.’ 15

De affiches uit de collectie van het Allard Pierson Museum zijn mogelijk vervaardigd voor optredens in Parijs. In 1897 was Thompson te zien in Circus Carré, in advertenties werden de olifanten aangekondigd als de ‘drie vrolijke kegelaars’. Op de affiches is Thompson dynamisch afgebeeld: balancerend op een tussen de slurven van de olifanten gespannen koord, springend over het touw dat de dieren ronddraaien, als dirigent en als begeleider wanneer één van de olifanten een koprol maakt. Zijn kostuum met rode of blauwe huzarenjas en rijlaarzen kwam overeen met de militaire mode die onder Europese dierentemmers in zwang was. 16
In 1906 keerde hij terug naar de Verenigde Staten, waar hij zijn vier olifanten probeerde te verkopen.17 Thompson overleed in 1909 in Egypte en werd begraven op Brookwood Cemetary, Surrey.

Adolph Friedländer (1903) Thompson met ‘de enige olifant ter wereld die een salto kon maken’. Collectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002132

1897 28 augustus – 13 septemberCircus Oscar Carré, Amsterdam
190025 oktober – 2 septemberCircus Oscar Carré, Amsterdam
190131 januariCasino Rotterdam
190320 – 26 novemberCircus Oscar Carré, Amsterdam
190510 juli – 7 augustusCircus Albert Schumann, Den Haag.
Optredens Eph Thompson in Nederland (o.b.v. Delpher)

1885 North Queenslanders

aantal personen: 3 volwassenen, 1 kind
in Nederland: 29 augustus – 10 september 1885
impresario: R.A. Cunningham

Julian Schaar, Jenny, haar zoon Toby, haar echtgenoot Toby en Billy, Dusseldorf 1885. Deze vier groepsleden arriveerden in Nederland. Collectie National Portrait Gallery, Canberra, inv.nr. 2013.80

Roslyn Poignant (1927-2019) verrichtte tien jaar onderzoek naar drie groepen die werden vertoond door de Amerikaan R.A. Cunningham. Dit betrof een groep mannen uit Samoa en twee groepen uit het Australische North Queensland. Ze raadpleegde meer dan honderdvijftig krantentitels in negentien landen om in kaart te brengen waar de groepen werden vertoond. De meeste informatie kon zij achterhalen over de eerste groep van negen mensen die Cunningham vertoonde in de jaren 1883-1887. Aanvankelijk trad Cunningham op als werver voor Phineas T. Barnum, die de groep exposeerde in zijn rondtrekkende ‘Ethnological congress of Strange Savage Tribes.’

The Strobridge Lithographing Company, Barnum & London: Australian Cannibal Boomerang Throwers (1883), Collectie Ringling Museum, Tibbals Circus Collection, inv.nr. ht2004524.

Barnum presenteerde de Australiërs als ‘wilden’ en ‘kannibalen’, deze meest transgressieve vorm van menselijk gedrag verklaarde Poingant als een ideologische troop, een krachtige fantasie binnen de cultuur van het kolonialisme. 1 Het affiche toont een groep bloeddorstige mannen, grotendeels naakt in een rok van veren, die pijlen en de boemerang als dodelijke wapens hanteren.
Poingant veronderstelde dat Cunningham zelfstandig agent werd om niet langer te hoeven delen in de winsten die de groep opleverde. In 1884 maakten zij de oversteek naar Europa en in april vond de eerste vertoning plaats in het Crystal Palace te London. De collecties van het Rijksmuseum en het Nederlands Fotomuseum bevatten portretten die tijdens deze vertoning zijn gemaakt door Negretti & Zambra, een firma die gevestigd was in de zuidzijde van het Crystal Palace.2

Negretti en Zambra, Jenny, haar zoon Toby en Billy, tijdens de vertoning in het Crystal Palace te Londen. Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-00-1002.

Door foto’s te combineren met etnografische metingen en verslagen, wist Poignant de herkomst, namen en leeftijd van de geportretteerden vast te stellen. Links op de foto staat een vrouw van tussen de dertig en veertig jaar, naar alle waarschijnlijkheid heette zij Yorembera, naast haar zit Telegorah, zeven jaar oud. Moeder en zoon waren afkomstig van de Palm eilanden. 3 Naast de jongen staat Warschinbin, een man van rond de dertig en, zoals Poignant consequent schreef, ‘verwijderd’ van Hutchinbrook eiland. Zij hanteerde deze term omdat twee mannen van de groep voor vertrek uit Sydney op de vlucht waren geslagen voor Cunningham en niet met zekerheid kon worden vastgesteld in hoeverre de negen mensen vrijwillig naar de Verenigde Staten waren afgereisd. 4

Negretti & Zambra, van links naar rechts: Billy, Jenny met haar zoon Toby en haar echtgenoot Toby, Sussy en Jimmy. Voor de groep, half liggend, Bob, tijdens de vertoning in het Crystal Palace te Londen. Collectie Nederlands Fotomuseum, inv.nr. WMR-908418-2

Op het groepsportret in de collectie van het Nederlands Fotomuseum staat de jonge Telegorah in het midden. Hij wordt geflankeerd door zijn moeder, met over elkaar geslagen armen, én zijn vader Corgarah –met veertig jaar het oudste groepslid.

Poignant stelde dat de Britse portretten tijdens de mensvertoningen verkocht werden, tezamen met programmaboekjes en affiches vormden ze onderdeel van de ‘economie van exploitatie’ 5 Tezelfdertijd, betoogde Poignant, stelden de portretten de New Queenslanders in staat een afzonderlijke identiteit te construeren. Tijdens de vertoningen gingen zij gekleed in showkostuums van koeienhuiden en hanteerden zij onderling Engelse namen. Poignant interpreteerde dit als een strategie om het desintegrerende effect van hun objectificatie te weerstaan. 6 Deze strategie betekende voor haar bovenal een uiting van handelingsmacht door de geëxposeerde individuen:
‘In the course of their travels they were regarded as objects of curiosity […] But the Aboriginal travellers, so suddenly thrown together and transported to an unimagined world, were the curious ones, and they exercised their curiosity in order to communicate, experience and survive as show people- professional ‘savages’. 7

Op het moment dat zij in het Crystal Palace werden vastgelegd betreurden zij twee doden: de mannen stierven in Amerika tijdens een tournee langs freak shows en rariteitenkabinetten. Een van de overledenen was Dianarah – door Cunningham ‘Tambo’ genoemd, echtgenoot van Tagarah, ofwel Sussy.
Na een verblijf in Brussel trok Cunningham naar Duitsland, waar de groep drie maanden werd vertoond in Castans’s Panopticum.

Jenny en Sussy weigerden zich te ontkleden voor het antropometrisch onderzoek van Rudolf Virchow, maar fotograaf Carl Gunther wist hen waarschijnlijk te overreden 8 Het Nederlands Fotomuseum heeft dan ook twee portretten van Sussy in de collectie (WMR-908416 en WMR-906309-2). Zij overleed ongeveer een jaar nadat de foto’s waren gemaakt, in Sonnborn. Orinibin, ‘Bob’, en Tinendal, ‘Jimmy’, waren reeds bezweken in Chemnitz en Darmstadt.
In Frankfurt werd de groep een publiekstrekker in de dierentuin, het merendeel van de Duitse vertoningen vond echter plaats in kleinere gelegenheden als restaurants. Dit patroon leek te worden voortgezet toen de groep in augustus 1885 in Nederland arriveerde. Op basis van Delpher en archieven.nl zijn vooralsnog uitsluitend vertoningen in Rotterdam vast te stellen.

‘Male and Female cannibales’, In 1885 werd de groep van vier North Queenslanders geëxposeerd in de dierentuin van Franfurt am Main, collectie Historisches Museum Frankfurt am Main.

Uit een bericht in het Rotterdamsch Nieuwsblad blijkt dat de komst van de groep werd aangekondigd op affiches:
‘Het tafereel stelt niet meer of minder voor een troep wilden, ijzelijk toegatakeld, die bezig zijn eenige blanken dood te slaan, te branden en op te peuzelen. Een paar van die zwarten knagen met welbehagelijke blikken aan een stuk dat wel wat weg heeft van een menschenarm, terwijl het doodshoofd van een wiens lichaam reeds zijn weg gevonden heeft naar de magen der wilden, aan hunne voeten ligt. […] Men verzekert van verschillende zijden dat het de echte onvervalschte kannibalen uit Australië zijn ; – nu ze zijn er leelijk genoeg voor.’ 9

Advertentie Delftsche Courant (9 september 1885).

Na Nederland trok de groep naar Frankrijk, enige dagen voor aanvang van de vertoning in de Folies Bergères overleed Corgarah, ofwel Toby. Op de foto’s die gemaakt zijn in Parijs zijn Jenny, nu weduwe, haar zoon en Billy te zien. Poignant ontwaarde kleine tekenen van verzet: ‘The body language – Billy’s tilt of the head, Toby’s apparent dejection, Jenney’s tensely raised shoulder and folded hands – conveys an air of resistance to the proceedings’.10

Poignant had toegang tot een uitsnede, in de collectie van Musée du Quai Branly zijn nu de onbewerkte foto’s digitaal beschikbaar. Zichtbaar wordt dat het drietal in een fotostudio staat, pal naast het achterdoek met de pastorale beschildering staat een statief, in de linker en rechter bovenhoek is wit doek bevestigd en het gras waar zij op staan blijkt een verhoging te zijn. Behalve het beeld waarin Poignant weerstand meende te zien, werden Billy en Jenny staand vastgelegd met kleine Toby liggend voor hen, rustend op een elleboog: eenzelfde houding als de overleden Bob twee jaar eerder. De Franse collectie omvat eveneens antropometrische portretten: voor- en zijaanzicht en in het geval van Jenny, zowel gekleed als met ontbloot bovenlichaam.

Poignant slaagde er in het lichaam van de eerste overledene Dianarah, of ‘Tambo’, van de Verenigde Staten naar North Queensland te repatriëren nadat zijn gebalsemde lichaam tot in de twintigste eeuw een attractie vormde: ‘His ‘return’ did more than add tot he knowable history of these travellers; it restored their humanity and their identities.’ 11 Wellicht zijn er meer sporen dan Poignant ondanks haar vasthoudende en nauwgezette onderzoek kon bevroeden. In 2019 bevestigden Katharine Johnson en Hilke Thode-Arora dat in Castans Ponopticum gipsen afgietsels van de groep waren gemaakte die onder meer in een museaal depot in Dresden waren opgeslagen. 12


German religious knowledge on South Asia – Conference

On behalf of dr. Isabella Schwaderer (Faculty of Philosophy, Erfurt University) , I would like to share the announcement of the conference From Universalism to Ethnopathos – Religious Knowledge in the Colonial Encounter between India and Germany (January 16-17, 2021). Due to COVID-19, the meeting will be entirely online. For the program, abstracts and contributions: https://indiagermany.hypotheses.org/ Everyone is cordially invited, please register in advance by sending an email to: isabella.schwaderer [@] uni-erfurt.de

1885 Goddefroy’s Angolese collection

L.R. Werner, Ethnological collection of L.J. Goddefroy. Black and white photograph on cardboard. Collection Het Zuid-Afrikahuis, Amsterdam, id.nr 903. https://collecties.zuidafrikahuis.nl/detail.php?nav_id=2-1&index=4&imgid=412468&id=350988

Material description

Black and white photograph on cardboard of a seated Louis Joseph Goddefroy (1843-1921) surrounded by objects he collected in Angola, between September 1884 – June 1885. The photograph was made by Louis Robert Werner (1834-1896) after Goddefroy’s return to the Netherlands, between September and December 1885. Parts of the collection were auctioned in 1887 and 1902. The name of auctioneer Frederik Muller & Cie. is printed on the lower right corner of the cardboard. The firm added the French caption in 1902: ‘Collection ethnologique réunie par m. L.J. Goddefroy à Angola (Afrique) pendant l’expédition scientifique ayant eu pour chef feu m. Daniël Veth.’ (Ethnological collection brought together by mister L.J. Goddefroy in Angola (Africa), during the scientific expedition led by mister Daniël Veth).

Power figure

In 1882 the Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (Royal Dutch Geographical Society) allotted funds for the first Dutch scientific expedition to Africa. Two years later, civil engineer Daniël Veth (1850-1885) received permission to explore Angola, more specifically the surroundings of southern cities like Benguella and Quillenges (Wentholt 2004). Veth would concentrate on geological research, two other members were to collect: P. Van der Kellen gathered natural specimens, and L.J Goddefroy accumulated man-made objects such as religious carvings, amulets, weapons, and utensils for everyday use (Veth and Snelleman 1887: 124-125). In September 1885 Goddefroy returned to the Netherlands with an estimated 1300 objects (De locomotief 1885).

One of the aims of the expedition was to visit the so-called Trekboeren in the remote settlement Humpata. These were white South Africans of Dutch and German descent who had left the Transvaal in 1874 to escape British rule. The expedition remained six weeks in the settlement, an opportunity for Goddefroy to expand his collection with axes, maces, and arrows (De Locomotief 1885). In the photograph, these can be seen hanging against the wall behind Goddefroy.

The most precious items Goddefroy acquired are grouped in the centre of the photograph. Immediately next to his left elbow, there are two conical dark figures, ornamented with white seashells. According to the Dutchman, these were ‘idols’ made of woven plant fiber and were believed to enhance female fertility. He traded these on his way from Benguela to Humpata, for cotton, beads, a dagger, bracelets, and several mirrors (Veth and Snelleman 1887: 355, 352).
In between the two dark figures sits, elevated on a stool, a wooden statue we now know as a nkisi phemba : a kneeling maternity figure (RV-1354-47) with a child in her lap and another child on her shoulder. Another striking nkisi (‘power figure’) is standing near Goddefroy’s knee( RV-1354-46). A white male with a cocked hat and frack coat, presumably modeled after a European sea captain.

Barter

Goddefroy in a maxilla or hammock. He was carried by serviçais of the Nederlandsche Handelsvennootschap. Source: Plate IV, P.J. Veth & Joh. F. Snelleman, Daniël Veth’s reizen in Angola (Haarlem 1887).

The Dutch expedition coincided with the Conference of Berlin (November 1884 – February 1885), where the African continent was divided between European nations. Although the Netherlands did not lay claim to an African colony, the country did have considerable commercial interests along the west coast of Africa. From 1857 onwards, the Afrikaansche Handels Vereeniging (African Trading Company) and its successor Nieuwe Afrikaansche Handels-Vennootschap (NAHV) (New African Trading Association), had opened trading posts along the coastline of Congo and Angola. In the course of the 1880s, the NAHV came to dominate the Congo trade.
The business of the NAHV was barter trade: European textiles, weapons, and spirits were exchanged for African produce, notably palm oil, gum, copal, and ivory (Wesseling 1981: 496).
The NAHV provided practical support for Veth and his two associates. They could use the vessels of the company and stay at several trading posts, known as ‘factories’. During a sojourn of almost eight weeks in the main NAHV-factory in the port Banana, Goddefroy bartered European textiles, beads, red coral, and mirrors for an array of ethnographic objects (Veth and Snelleman 1887: 120, 151).

Punitive expedition

To journalists visiting the collection in his home in Amsterdam, Goddefroy explained the power figures were gifts from Portuguese and Dutch employees of the NAHV, who had seized them during punitive expeditions to rebellious villages (De Locomotief 1885) In the newspaper report, Goddefroy did not mention the names of the villages where the NAHV carried out the punishment.

Wijs (2014) identified the villages as Futila and M’Buco-M’Bule in Cabinda, north of the NAHV head factory in Banana. Representatives of the NAHV, together with the Koninklijke Nederlandsche Zeemacht  (Royal Dutch Navy)  arrived in Futila on February 10, 1885. The Dutch indicated a villager was suspected of a plot to kill the Portuguese head agent of the NAHV in Cabinda. Although this suspicion dated from several years earlier, the NAHV demanded an immediate fine of 300 gallons of palm oil and rendition of the suspect. As villagers couldn’t meet these demands, their houses were set on fire two days after the arrival of the NAHV and Dutch navy (Wijs 2014: 16-17).
In her research, Wijs has brought to light other objects in Dutch ethnological museums that were seized from the houses in Futila (Wijs 2014: 12-13). Since Goddefroy’s reference to a punitive expedition is limited to a fleeting remark made to a journalist, it cannot be ascertained with certainty that he acquired the power figures from NAHV-staff who were involved in the penal actions.

Crock with an imprint of the Afrikaansche Handels Vereeniging (AHV). These crocks were used to transport jenever or Dutch gin to Congo and palm oil to The Netherlands. Collection Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-5891-1.

Hundreds of Goddefroy’s objects were sold to the foremost ethnographic institutions of the Netherlands: Artis Natura Magistra in Amsterdam and the Rijks Ethnologisch Museum in Leiden. Initially, he kept the most precious items in his private collection. However, a dire lack of resources compelled him to auction these in 1887. The two power figures remained unsold due to their high price. Consequently, the auction house contacted the ethnological museum in Leiden, which was then able to acquire the nkisi phemba and the power figure in the form of a European captain. Other parts of Goddefroys private collection were bought by a Dutch collector. This unnamed Dutchman sold the objects in 1902; once again it was the Leiden museum that bought the majority of the objects that were collected in Angola, more than seventeen years earlier (Willink 2006: 233).
As a result of fusions of several Dutch ethnological museums between 2014-2017, almost all objects of Goddefroy are now part of one collection that belongs to the Nationaal Museum van Wereldculturen (National Museum of World Cultures).

Objects

A selection of objects that are discernible in the image:
Bracelet, 19th century, Angola, iron, collected by L.J. Goddefroy, Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-594-59.
Sculpture of a European man, presumably a sea captain, 19th century, Lower Congo River, wood, 35,8 x 11,2 cm, collected by L.J. Goddefroy, Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-1354-46.
Power figure nkisi phemba, 19th century Cabinda (Angola), wood, pigment, glass, textile, resin, 44 × 14,5 cm, collected by L.J. Goddefroy, Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-1354-47.
Seat with a male figure, 19th century, Angola, wood, 64 x 38,5 cm, collected by L.J. Goddefroy, Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-1354-48.
Stool, 19th century, Angola, 25 x 22, collected by L.J. Goddefroy, Nationaal Museum van Wereldculturen , RV-1354-49.
Sceptre, 19th century, Chokwe, Angola, 57,7 x 5,8 cm, collected by L.J. Goddefroy, Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-1354-65.
Ceremonial vessel, 19th century, Chokwe, Angola, 7,5 x 22 cm, collected by L.J. Goddefroy, Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-1354-103.
Pair of leather sandals, Quillenges, Angola, 24 cm, collected by L.J. Goddefroy, Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-2668-241 and RV-2668-242.

References

‘De Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Expeditie’, De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad. November 12, 1885. Retrieved from Delpher on 13-08-2020, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010291530:mpeg21:p001

Wentholt, A. 2004. ‘Een Nederlandse expeditie naar Angola 1884-1885’, Nieuwsbrief Vereniging Vrienden van Etnografica 86,  29-42.

Wesseling, H.L. 1981. ‘The Netherlands and the partition of Africa’, The Journal of African history 22/4,  495-509.

Wijs, S. 2014. ‘De collectie Hanken – een bewogen geschiedenis’, Jaarboek van de Vereniging Vrienden Etnografica, 7-32.

Willink, R.J. 2006. De bewogen verzamelgeschiedenis van de West-Centraal-Afrikaanse collecties in Nederland (1856-1889) Ridderkerk: Ridderprint.  222-234.

Veth, P.J. and Snelleman, J.F. 1887. Daniël Veth’s reizen in Angola: voorafgegaan door eene schets van zijn leven. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink.

1889-1891 Samoans

Ernst Thiele, men from the island Tutuila, Samoa, during a human exhibition in Germany (1890). Collection Nederlands Fotomuseum, Rotterdam, id.nr. WMR-908477-1.

Roslyn Poignant (1927 – 2019) 1 focused in her book Professional Savages on groups from North Queensland, Australia, who were exhibited by R.A Cunningham in the 1880s and 1890s. She briefly discussed the group of men who were recruited by Cunningham on the Samoan island of Tutuila. 2 Poignant didn’t include visual materials of this group in her work. Nevertheless, based on her description, it seems plausible that the photograph in the collection of the Nederlands Fotomuseum is a portrait of seven of the nine Samoans.

According to Poignant, impresario Cunningham arrived in Samoa in June 1889, a time when the United States, Great Britain as well as Germany claimed territory in the archipelago. Cunningham intended to exhibit the group for three years, starting in San Francisco. 3
The Washington Post spoke of ‘Samoan Warriors’ : ‘who are brought here to give exhibitions of war dancing and club and knife throwing. Their names are Manogi, Leasodso, Atofau, Foi, Mua, Lealofy, Letungaifo, Tu and Tasita. They will appear in their native costume, which consists of a piece of lappa cloth wound around the loins, a wreath of flowers around their necks and a string of vegetables around their heads.
They do not like San Francisco. They say it is too cold, and they already want to get back to Samoa.
4

In October 1889 Cunningham brought the group to New York, where the New York Tribune called Lealofy ‘the poet of the party, who composes impromptu songs on any occasion. […] The warriors yesterday seated themselves in a row on the floor and took up a war song, started by the poet, to the music of two mulberry sticks. They kept perfect time both in their singing and in the movement of their bodies. 5

Three of the six men described by Virchow, during their stay in Berlin (1890). Source: Zeitschrift für Ethnologie 22 (1890), 385.

The group travelled by ship from New York to Germany. In Berlin, the group was observed by ethnologist Rudolf Virchow (1821-1902). He remarked that ‘ihr Tanz von dem uns geläufigen wesentlich abweicht, indem er nich sowohl mit den Beinen, als mit den Armen un dem Rumpf getanzt wird. Die Samoaner sitzen mit gekreuzten oder ausgepreizten Beinen. flach auf dem Boden in einer langen Reihe und machen dann symmetrische Bewegungen, anfangs langsam, später hastig und gewaltsam, gegen einander.6

The photograph of 1890 shows seven men, accordingly, Virchow mentioned that seven Samoans performed in the Flora of Charlottenburg, a luxurious entertainment establishment in Berlin, beside the river Spree. Besides a stage the Flora consisted of a park and palm garden. However, only six men are included in Virchow’s table of physical measurements. 7 During his anthropometric research, Virchow noted a ‘vortrefflichlen Gesundheitszustande. Ihre Körper sind stark und wohl gebildet, ihr Ernährungszustand gut, ohne zur Fettbildung zu neigen, ihre Leistungen von einer überraschenden Energie.8

Although Virchow praised their outstanding health, Poignant found German newspaper articles reporting two men deceased before the group reached Berlin. Atofau died in Belgium, followed a few days later by Tu when the group stayed in Cologne.
Poignant wrote that Cunningham returned to the United States with five Samoans, where he left the men with another impresario.9 During the continuation of the tour in the winter of 1890-1891, Letungaifo died. His body was embalmed by the local funeral home and put on display as a curiosity. Manogi, Tasita, Mua and Foi were left on the streets of New York, where a journalist reported about them. City officials funded their return trip to Samoa. Manogi died en route and was buried in the United States. Only Tasita, Mua and Foi returned to Tutuila, Samoa. 10


1892 Kalina, Suriname

Lithographie Henry Sicard et Farradesche (paris 1892). collection Bibliothèques spécialisées de la Ville de Paris, 1-AFF-001369

Les premiers articles sur l’exhibition un groupe de Surinamais Kalina au Jardin d’Acclimatation, ont paru dans le quotidien « De West Indïer ». Le 24 janvier 1892, le journal rapportait que trois jours auparavant, un groupe d’hommes, de femmes et d’enfants était arrivé d’Albina dans la capitale surinamaise de Paramaribo, où ils avaient été examinés médicalement à l’hôpital militaire. Le journal avait des doutes sur l’exhibition: qui pouvait garantir que l’organisateur Laveaux remplirait ses devoirs auprès du groupe? Est-ce une tâche pour Son Excellence le Gouverneur d’interdire le voyage à Paris? 1 « Nieuwsblad Suriname » a répondu à cela avec un point de vue différent. Il serait erroné d’interdire le départ: «Il ne faut pas oublier que, bien qu’Indiens, ils partagent en tant que peuple libre tous les droits que la loi garantit aux citoyens ». 2

Un jour plus tard, « De West Indiër » a offert une réfutation. Le journal avait appris que Laveaux voulait initialement recruter des participants en Guyane française, mais le conseil a refusé de laisser sortir les Kalina. Les enquêtes ont montré que le groupe Kalina de la rive néerlandaise était au courant de l’interdiction du gouvernement français, mais ne voyait aucune objection à faire le voyage en Europe. Le journal se réjouit que l’administration coloniale néerlandaise avait décidé de placer le groupe sous la protection du consul néerlandais lors de leur exhibition à Paris. « De West Indiër » étaient d’accord avec le commentaire du concurrent « Suriname » selon lequel il s’agissait d’un choix de personnes libres:

mais il est également vrai que le gouvernement les considère jusqu’ici comme incapables. Partout où il y a des indigènes qui, en raison de leur développement limité, de même ne seront pas autorisés à inciter les gens à déménager dans un pays étranger sans l’autorisation des autorités. 3

Prince Roland Bonaparte, Exhibition ethnographique de Caraïbes mars 1892, Collectie Musée du Quai Branly, Paris, PV0023866.

A partir du 26 février 1892, le groupe séjourne dans le boulevard Nouveau Hall, une verrière. Ils ont attiré 30 000 visiteurs le premier dimanche, et plus tard dans le mois, le président Carnot a rendu visite au groupe. 4
En mars 1892, le consul des Pays-Bas à Paris écrivit une lettre au gouverneur du Suriname, qui fut a été imprimée plus d’un mois plus tard dans le journal « Suriname ». Immédiatement après l’arrivée du groupe au Jardin, le consul avait inspecté leurs conditions. Lors de deux visites, il a constaté qu’il faisait très froid dehors, mais que le groupe n’en souffrait pas n’était pas affecté car ils étaient logés dans la serre chauffée. Le consul, MJH van Lier, a rapporté qu’un participant était décédé. Pecapé, 15 ans, est selon les médecins décédé d’une maladie cardiaque et a été enterré à Paris. Van Lier a écrit dans la lettre qu’il visiterait le Jardin chaque semaine et qu’il serait prêt immédiatement lorsque les circonstances l’exigeraient.5

Il n’y a pas de lettres de suivi du consul dans les archives numériques des journaux. Néanmoins, le quotidien français « La Cocarde » a lancé une campagne en avril contre l’exhibition de les Kalina. Il y a eu une condamnation sévère avec des titres tels que « Exhibitions inhumaines » et « La Traite des Caraïbes ». « La Cocarde » a rapporté qu’un autre homme était mort. Les Kalina avait voulu quitter Paris et s’était révoltée lorsque cela s’était avéré impossible.6 Plus de six semaines plus tard, les recherches de « La Cocarde » parviennent dans les colonnes de la presse surinamaise.

Guyane. Gaséï, 15 ans, jeune indien caraïbe. Face”, Collection Musée du Quai Branly, Paris, PV0060251.

Après la fin de l’exhibition le nombre réel de morts est devenu clair. Fin mai, « Algemeen Handelsblad » a publié une lettre d’un correspondant privé qui avait visité le Jardin plusieurs fois. Pas deux, mais huit personnes sont ont mortes ici, on dit qu’elles ont été emmenées dans des cimetières inconnus. Selon le correspondant, les membres restants étaient « atteints d’une grave maladie du sein ».Les Kalinja souffraient du froid du printemps français, mais selon le correspondant il n’y avait «aucune pensée de leur donner des vêtements ici; puis, entre autres, le revêtement des parties du corps tatouées aurait perdu une grande partie des caractéristiques typiques de l’exposition et attirerait beaucoup moins de curieux. »
Comme il n’y a pas eu d’agression intentionnelle et que les termes du contrat ont été respectés, ni les gouvernements français ni néerlandais n’ont pu intervenir, a déclaré l’auteur inconnu. Ce dernier avait délibérément attendu pour envoyer sa lettre jusqu’à ce que la Kalina ait quitté Paris pour éviter que son écriture ne soit interprétée comme une mise en accusation du gouvernement néerlandais. Le correspondant ne voulait rien reprocher au gouverneur du Suriname, mais espérait empêcher qu’à l’avenir « les ressortissants néerlandais, bien qu’ils ne soient peut-être pas citoyens néerlandais, deviennent l’objet d’une aussi mauvaise exploitation. »7

Après leur séjour à Paris, le groupe a été exhibé à Bruxelles, Berlin et Dresde. Ils sont revenus d’Amsterdam à Paramaribo. A leur retour, le quotidien « De West Indiër » a répondu aux rumeurs selon lesquelles les Kalina avaient refusé des médicaments. Selon le journal, cependant, il était prévisible que : « ces habitants de la forêt, habitués à leur vie libre, ne seraient pas en mesure d’accepter soudainement toutes les mesures qui s’avéreraient nécessaires dans l’intérêt de leur vie et de leur santé ». Le journal a également rapporté que le consul néerlandais à Berlin avait traité les Kalina de manière très désagréable et que Laveaux s’était déclaré en faillite. Ainsi, les membres survivants ont été payés pendant 3,5 mois, alors qu’ils ont été exposés pendant plus de cinq mois. Le journal a appelé le gouvernement néerlandais à payer le montant restant; il serait « plus que honteux » que les hommes, les femmes et les enfants soient privés du salaire durement gagné.8

Sauvages, au coeur des zoos humains, (2019) Moliko Kali’na de Guyane

1883 Kalina, Suriname

Friedrich Carel Hisgen, Portrait de groupe de Kalina et Lokono à l’Exposition universelle (1883), Collection Rijksmuseum, Amsterdam, no. RP-F-1994-12-1.

Tout comme l’exhibition de Galibi à Paris, l’exhibition de vingt-quatre Surinamais lors de l’Exposition coloniale et commerciale internationale á Amsterdam était une initiative privée. Parmi eux, treize Kalina, dont trois femmes. Dans sa contribution à Eigen Haard, George Zimmerman (1839-1928) a rapporté que le succès de Lagrange en 1882 avait inspiré cette exhibition humaine. 1
Le 15 avril 1883, deux semaines avant l’ouverture de l’exposition, le journal West Indiër a publié une lettre anonyme de remerciements aux directeurs de la « Société d’Exploitation Surinamaise », JE Muller et CM de Leeuw. Le contributeur était heureux que plusieurs milliers de visiteurs à Amsterdam aient pu prendre note des « sauvages et semi-sauvages ». À leur tour, ils sont entrés en contact avec le « monde civilisé et savant. Un pas sera fait vers une civilisation lente, graduelle mais sûre! » 2

Charles Rochussen, Portrait d’un Alenka-ka-ma debout, Kolleté, (11 ans) assis dans un hamac et Awarahena (six ans), Collection Wereldmuseum – NMvW, Rotterdam, no.. WM-28801-1 et WM-28801-2.

Quelques jours après l’ouverture le 1er mai, l’Algemeen Handelsblad s’est demandé si des radiateurs pouvaient être placés dans le cirque car le groupe souffrait visiblement du froid, ils « frissonnaient, bien qu’ils soient encore enveloppés dans des couvertures de laine ». Le journaliste du Rotterdamsch Nieuwsblad a déterminé que les femmes qui appartenaient aux soi-disant « types créoles » ont réussi à résister au froid glacial. Cependant, leurs regards et gestes avaient révélé qu’elles « appartenaient à une classe de femmes non mentionnée ». Son souci était donc pour les « peaux rouges » :
[…] Des êtres raisonnables, descendants d’une race ancienne et fière, des gens de mouvements égaux, de besoins égaux, de souhaits égaux comme nous […]. Il est vrai que s’ils meurent, cela économisera le coût du voyage de retour. Nous n’avions pas pensé à cela; cela peut être un motif valable pour les laisser geler! 3

Nieuws van den Dag a publié une série en trois parties sur les groupes exhibés, sous les titres « Indiens », « nègres des plantations » et « bushinengués ». Les articles avaient le ton des traités ethnologiques; les détails physiques, la répartition des rôles entre les hommes et les femmes, l’industrie et les coutumes sociales ont été discutés en détail. Compte tenu des Caraïbes, le journal a conclu :
Ils s’isolent de toutes les questions sociales, pour que leurs facultés mentales ne se développent pas. En tout cas, peu d’avenir est à prévoir pour les Indiens, quel que soit le potentiel qu’ils possèdent. 4

Friedrich Carel Hisgen, Jacqueline Ricket (sur une chaise) et Wilhelmina van Eede (assise par terre) devant une « cabane de plantation» , lors de l’exhibition humaine à Amsterdam, 1883. Collection Rijksmuseum, Amsterdam, no. RP-F-1994-12-67.

Peut-être parce que les Kalina étaient considérés comme un groupe qui n’aurait aucune part dans l’avenir de la colonie, ils ont reçu moins d’attention que les autres groupes. Nieuws van den dag a notaient qu’aucune des populations n’a pu «sortir la colonie tombée de son déclin et de la ramener à la prospérité». 5
Les anciens esclaves ont été accusés d’avoir sapé l’économie des plantations. Les soi-disant «nègres des plantations» étaient désormais mieux lotis que les agriculteurs ou les ouvriers néerlandais, mais ils déménageaient en ville «en raison de leur aversion pour le travail régulier». 6
Le même verdict a été exprimé à propos du « bushinengué» : […]il passe sa vie dans la paresse et l’oisiveté et ne prend la hache que lorsque la nécessité l’exige». Il n’était pas défendable pour le journal que des ouvriers agricoles sous contrat aient été amenés d’Asie au Suriname, alors que le pays « a sa propre population forte dans les hauts plateaux ». 7

Portrait de Kojo A Slen Gri, Marron du Suriname, lors de l’exhibition humaine à Amsterdam, 1883. Collection Rijksmuseum, Amsterdam, no. BI-F-B0659-2.

Les trois articles de Nieuws van den Dag ne contiennent pas de nom d’auteur. En juin 1883, le même journal a publié un article de Frederik van Eeden, alors directeur du Colonial Museum de Haarlem. Dans sa description de l’exposition coloniale, Van Eeden a également abordé le thème du déclin économique au Suriname, qui avait commencé après l’abolition de l’esclavage. Van Eeden a parlé du déclin des plantations et des coûts élevés associés à l’approvisionnement des « indigènes chinois ou indiens de l’Est (Coolies) ». Le directeur du musée a appelé les « jeunes fils des Pays-Bas » non seulement à avoir un œil sur les possessions de l’Est, mais aussi à tourner leur regard vers l’Ouest, étant donné les nombreuses opportunités d’y faire fortune. Pour garder les deux colonies comme « notre héritage légitime », il semblait d’une grande importance que les Néerlandais s’installent au Suriname :

Le nègre est un « humain », mais pas tout à fait comme nous. Il est enfantin, insouciant, imprévisible, toujours impressionné par le moment; il a certainement besoin d’autorité, de direction , plus paternel et sérieux, mieux c’est. Il est paresseux de nature, et s’il est forcé de travailler par une légère contrainte et peut continuer à vivre avec sa famille sans soucis, il est beaucoup plus heureux que s’il était traité à égalité avec l’Européen.8