1889-1891 Samoans

Ernst Thiele, men from the island Tutuila, Samoa, during a human exhibition in Germany (1890). Collection Nederlands Fotomuseum, Rotterdam, id.nr. WMR-908477-1.

Roslyn Poignant (1927 – 2019) 1 focused in her book Professional Savages on groups from North Queensland, Australia, who were exhibited by R.A Cunningham in the 1880s and 1890s. She briefly discussed the group of men who were recruited by Cunningham on the Samoan island of Tutuila. 2 Poignant didn’t include visual materials of this group in her work. Nevertheless, based on her description, it seems plausible that the photograph in the collection of the Nederlands Fotomuseum is a portrait of seven of the nine Samoans.

According to Poignant, impresario Cunningham arrived in Samoa in June 1889, a time when the United States, Great Britain as well as Germany claimed territory in the archipelago. Cunningham intended to exhibit the group for three years, starting in San Francisco. 3
The Washington Post spoke of ‘Samoan Warriors’ : ‘who are brought here to give exhibitions of war dancing and club and knife throwing. Their names are Manogi, Leasodso, Atofau, Foi, Mua, Lealofy, Letungaifo, Tu and Tasita. They will appear in their native costume, which consists of a piece of lappa cloth wound around the loins, a wreath of flowers around their necks and a string of vegetables around their heads.
They do not like San Francisco. They say it is too cold, and they already want to get back to Samoa.
4

In October 1889 Cunningham brought the group to New York, where the New York Tribune called Lealofy ‘the poet of the party, who composes impromptu songs on any occasion. […] The warriors yesterday seated themselves in a row on the floor and took up a war song, started by the poet, to the music of two mulberry sticks. They kept perfect time both in their singing and in the movement of their bodies. 5

Three of the six men described by Virchow, during their stay in Berlin (1890). Source: Zeitschrift für Ethnologie 22 (1890), 385.

The group travelled by ship from New York to Germany. In Berlin, the group was observed by ethnologist Rudolf Virchow (1821-1902). He remarked that ‘ihr Tanz von dem uns geläufigen wesentlich abweicht, indem er nich sowohl mit den Beinen, als mit den Armen un dem Rumpf getanzt wird. Die Samoaner sitzen mit gekreuzten oder ausgepreizten Beinen. flach auf dem Boden in einer langen Reihe und machen dann symmetrische Bewegungen, anfangs langsam, später hastig und gewaltsam, gegen einander.6

The photograph of 1890 shows seven men, accordingly, Virchow mentioned that seven Samoans performed in the Flora of Charlottenburg, a luxurious entertainment establishment in Berlin, beside the river Spree. Besides a stage the Flora consisted of a park and palm garden. However, only six men are included in Virchow’s table of physical measurements. 7 During his anthropometric research, Virchow noted a ‘vortrefflichlen Gesundheitszustande. Ihre Körper sind stark und wohl gebildet, ihr Ernährungszustand gut, ohne zur Fettbildung zu neigen, ihre Leistungen von einer überraschenden Energie.8

Although Virchow praised their outstanding health, Poignant found German newspaper articles reporting two men deceased before the group reached Berlin. Atofau died in Belgium, followed a few days later by Tu when the group stayed in Cologne.
Poignant wrote that Cunningham returned to the United States with five Samoans, where he left the men with another impresario.9 During the continuation of the tour in the winter of 1890-1891, Letungaifo died. His body was embalmed by the local funeral home and put on display as a curiosity. Manogi, Tasita, Mua and Foi were left on the streets of New York, where a journalist reported about them. City officials funded their return trip to Samoa. Manogi died en route and was buried in the United States. Only Tasita, Mua and Foi returned to Tutuila, Samoa. 10


1907-1922 Four Black diamonds

Links: Affiche Adolph Friedländer (1909), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002879.
Rechts: Foto, gepubliceerd in Bühne und Sport 6/14 (1906), achterhaald door onderzoeker Rainer Lotz.

Over deze groep is weinig informatie te vinden. Onderzoeker Rainer Lotz is gespecialiseerd in Afro-Amerikaanse artiesten die aan het begin van de twintigste eeuw in Europa optraden. Hij stelt dat de ‘Four Black Diamonds’ afkomstig waren uit San Fansisco en rond 1905 naar Europa kwamen – het is niet duidelijk of dan wel wanneer zij terugkeerden naar de Verenigde Staten. Evenmin is met zekerheid vast te stellen welke artiesten deel uitmaakten van de groep, van hun persoonlijke levensloop is dan ook niets bekend. Op basis van advertenties en recensies concludeerde Lotz dat de groep groot succes had met liederen die waren gebaseerd op folklore uit de Alpen, die zij ten gehore brachten in zogeheten ‘lederhosen’.
Lotz wist te achterhalen dat de groep in 1909, 1912 optrad in het Scala theater in Den Haag en in 1919 Amsterdam aandeed. 1
Uit Delpher blijkt dat zij vaker in Nederland hebben opgetreden. Het volgende lijstje geeft data weer waarop in een advertentie de ‘4 Black diamonds’ werden aangekondigd.

AdvertentieLocatieStad
18-05-1907CircusgebouwRotterdam
6-11-1909ScalaDen Haag
17-04-1912ScalaDen Haag
16-01-1914Variété FloraAmsterdam
17-10-1919ScalaDen Haag
31-10-1919CasinoRotterdam
22-11-1919Centraal TheaterAmsterdam
12-12-1919EdenAmsterdam
24-02-1920TivoliUtrecht
15-03-1920EdenAmsterdam
03-06-1922De UrquellDen Haag
Foto, Nordische Kunstanstalt Enst Schmidt&co, Lübeck (1900). Collectie Stadtmuseum Berlin, inv.nr. SM 2014-2618.

Lotz schrijft dat de groep gedurende de Eerste Wereldoorlog de optredens voortzette in het Verenigd Koninkrijk en rond 1922 uit elkaar ging, een datum die overeenkomt met hun laatste optreden in Nederland.

Virginian

N.V. Eerste Nederlandse Witmetaalfabriek te Loosduinen, bronzen beeld, ca 1926 – 1969 . Twee rokende mannen met een verentooi en rok van tabaksbladeren, leunend tegen een vat dat gevuld is met tabaksbladeren . Collectie Liemers Museum, inv.nr. 07014-00.

Vanaf 1613 begonnen experimenten met de verbouw van tabak in Virginia, sinds 1607 de eerste Engelse kolonie in Noord-Amerika. Een luttele vijf jaar later werd er meer dan achttienduizend kilo tabak naar Engeland uitgevoerd.1 De teelt was uiterst bewerkelijk en vanaf 1618 werd dit bewerkstelligd door onvrije arbeid, aanvankelijk door mannen uit Engeland. Vanaf halverwege de zeventiende eeuw zagen landbouwers uit Wales en Engeland zich door het mislukken van oogsten genoodzaakt een contract aan te gaan dat hen verplichtte vier tot zeven jaar op de tabaksvelden te werken.2

Johannes van Oye, Tabaksvignet van papier, c. 1730-1760. Links een staande koopman. Een Afrikaanse vrouw biedt hem een bos tabaksbladeren aan. Voor haar zit een inheemse Amerikaan met pijp op een half geopende tabaksmand. Collectie Amsterdam Pipe Museum, inv.nr. APM 25.002

Van groter belang was de slavenarbeid. Engelse kolonisten kwamen in het bezit van inheemse Amerikanen door hen te ruilen tegen wapens. Deze ruilhandel werd bedreven met inheemse bevolkingsgroepen die zich bewapenden, mede om te voorkomen dat zij zelf tot slaaf gemaakt werden. Zodoende bereikten de Richahecrian en de rivaliserende Occaneechi een dominante positie die hen in staat stelden andere inheemse groeperingen te onderwerpen en verhandelen.3 Hoewel de prijzen fluctueerden, bleef de productie van tabak toenemen – wat mogelijk was door de trans-Atlantische slavenhandel. In de periode 1698-1774 werden naar schatting 80.000 tot 100.000 mensen uit Centraal- en West Afrika naar Virginia verscheept. 4

Links: houten beeld (1775). Jongen die een pijp rookt, draagt hoofdversiering van rood, wit en zwarte veren en een lendendoek. In zijn rechterhand heeft hij een bos tabaksbladeren, zijn linkerhand rust op een tabaksrol. 1775, Collectie Ottema-Kingma Stichting, inv.nr. NO 14562.

Rechts: Houten beeld, ca 1750 -1799. Donkere man gekleed in een witte tuniek en een geplooide roodgele rok. Hij draagt een tulband, halsdoek, met metaal beklede schoenen en opgerolde sokken. De linkerhand rust op een tabaksrol. Collectie Ottema-Kingma Stichting, inv.nr. NO 14561.

Tegen deze achtergrond zou het houten beeld uit de collectie van de Ottema-Kingma Stichting kunnen worden bekeken. In 1605 opende de eerste tabakswinkel in Londen, herkenbaar aan de uithangborden. Molineux liet in een uitgebreide studie van Britse vignetten en advertenties zien dat een hybride figuur ontstond, de black virginian waarin Turkse, Afrikaanse en inheems Amerikaanse elementen werden samengebracht. 5

Gravure (1617). Collectie British Museum, inv.nr. Gg,4U.13. Links de toonbank met daarop de rokende virginian.

De eerste afbeelding van een black virginian is te zien in het boek ‘The smoaking age or the life and death of tobacco‘ (1617). Het frontispice is een weergave van het interieur van een tabakswinkel. Op de toonbank is een kleine, donkere figuur te zien; hij rookt een pijp, houdt een tabaksrol onder zijn linkerarm en aan zijn voeten liggen kleipijpen. In Engelse havensteden waren houtsnijders die zich specialiseerden in het vervaardigden van boegbeelden en sierlijk bewerkte achterstevens. De houten virginians in tabakswinkels, koffiehuizen en tavernes zijn mogelijk van hun hand afkomstig. 6 Gedurende de zeventiende eeuw verspreidde de figuur zich in het Engelse straatbeeld: eigenaren van tabakswinkels lieten visitekaartjes, kwitanties en verpakkingsmateriaal ontwerpen waarop de virginian te zien was 7 Vanaf de achttiende eeuw werd de figuur ook afgebeeld op tabakszakjes, vignetten en advertenties in Nederland. 8

Papieren sigarenzakje ‘De Wilde man’,ca.1884 – 1890. Links een donkere man met verentooi en rok van tabaksbladeren, op de rug een pijlenkoker, gewapend met knots en lans. Collectie Amsterdam Pipe Museum, inv.nr. APM 26.018b