1858-1949 Monument Cawnpore

De collectie van het Rijksmuseum omvat een drietal foto’s van Samuel Bourne waarop een rivieroever en een gedenkteken centraal lijken te staan. Bourne maakte de foto’s in 1865 om plaatsen van herinnering in Cawnpore (nu: Kanupur) vast te leggen. Hier werden in de beginfase van Indiase Opstand (1857-1858) gewelddadig Britse mannen, vrouwen en kinderen gedood.

Soldaat uit de East India Company Bengal Army. De Indiase soldaten stonden bekend als sipahi, door de Britten sepoy genoemd. Collectie Rijksmuseum, inv.nr. NG-2010-48.

De Indiase Opstand (1857-1858)was gericht tegen het gezag van de Britse East India Company (EIC). Tegen 1850 opereerde de EIC niet langer als een handelscompagnie, maar richtte het zich volledig op het civiel en militair bestuur van India.1 De opstand begon in mei 1857 in het kantonnement Meerut (in Noord-India) en werd bijna een jaar later neergeslagen; na de overkomst van 35,000 manschappen uit Groot-Brittannië. 2
In de geschiedschrijving is de Opstand tot in de twintigste eeuw aangeduid als de ‘sepoy muiterij’. Het leger van de EIC leunde vanaf de achttiende eeuw sterk op Indiase sipahi (soldaten) in hun oorlogsvoering tegen de Fransen en Indiase vorsten.3 De muiterij in Meerut zou zij voortgekomen uit de weerzin van zowel Hindoeïstische als Islamitische soldaten in het Bengaals leger van de EIC tegen het gebruik van dierlijk vet voor de kogels van de nieuw ingevoerde Enfield geweren. 4

Historicus Biswamoy Pati (1956-2017) kenschetste in zijn inleiding op een bundel over de Indiase Opstand, het centraal stellen van de muiterij van de sepoys, als een ‘typisch koloniaal perspectief.’ 5 De voorstelling dat één groep in opstand kwam en dit beperkt bleef tot Noord-India, was immers gunstig voor de koloniale machthebber. Roy haalde in zijn introductie studies aan waaruit bleek dat brede lagen van de bevolking in 1857 in verzet kwamen; van grootgrondbezitters die zich keerden tegen belastinghervormingen tot landbouwers en adivasi (inheemse gemeenschappen). Daarbij strekten opstanden van uiteenlopende groepen zich uit over geheel India, tot in het uiterste zuiden. Bovendien was de uitbarsting in 1857 een voortzetting van hevig verzet sinds de eerste helft van de negentiende eeuw tegen de toenemende macht van de East India Company.6
Pati noemde als element van het koloniaal perspectief de nadruk op de ‘barbaarse aard’ van de opstandelingen. 7 Dit aspect trad op de voorgrond in de herinneringspolitiek rondom de gebeurtenissen in Cawnpore.

Samuel Bourne, De Satti Chaura Ghat, Cawnpore. Oever van de rivier Ganges waar Britse mannen werden gedood. (1865). Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-F80455

Waterput

Een van de noordelijke steden waar de bevolking en soldaten in opstand kwamen was Cawnpore. Indiase handelaren en geldschieters die gefortuneerd waren door zaken te doen met de Britten, werden tot doelwit. Britse burgers en militairen zochten in juni 1857 hun toevlucht in versterkte barakken aan de zuidelijke rand van de stand. Na drie weken van beschietingen garandeerde de lokale leider van de Opstand, Nana Sahib, de groep een veilige overtocht met vier boten over de rivier Ganges. Echter, op het moment dat de Britten bij de rivieroever Satti Chaura Ghat aan boord gingen, werden zij door de opstandelingen onder vuur genomen. Mannen die dit overleefden werden alsnog in de rivier, of later aan land, ter door gebracht.
De vrouwen en kinderen werden naar een afgelegen villa in Cawnpore gebracht. Rebellerende soldaten weigerden hen te doden. Deze daad werd verricht door ingehuurde slagers, die de meer dan tweehonderd lichamen achterlieten in een waterput.8
In zijn beschrijving van de gebeurtenissen merkt Mukherjee op dat geweld een ‘essentieel component was van de Britse aanwezigheid in India.’ De Opstand doorbrak het geweldsmonopolie van de Britten, met gewelddadigheden van Indiërs die tot dan toe ongekend waren. 9

Herinneringspolitiek

Samuel Bourne, beeld van de Angel of Resurrection, gebouwd op de waterput met de lichamen van tweehonderd gedode vrouwen, afgeschermd door een muur in gotische stijl (1865). Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-F80449.

In 1858, de opstand was nog in volle gang, werd het beeld van de ‘Engel der wederopstanding’ geplaatst, in 1863 werd het ommuurd door een achthoekig bouwwerk in gotische stijl. Vrijwel direct na de opening van het park werd het een vast onderdeel in de rondreis van hoogwaardigheidsbekleders én Britse toeristen. In 1875, toen de Prins van Wales Cawnpore het monument aandeed, trok het monument dagelijks bezoekers; tot het begin van de twintigse eeuw meer dan de Taj Mahal.
Auteur Heathorn schrijft dat de Indiase Opstand de symbolische afstand tussen de Britten en de Indiërs vergrootte: de moorden in Cawnpore zouden hun gedegeneerde, wilde en barbaarse aard tonen. De ‘Engel der opstanding’ fungeerde niet louter als gedenkplaats voor de onschuldige vrouwen en kinderen die het leven lieten; het was evenzeer een waarschuwing voor het alomtegenwoordige gevaar van een nieuwe rebellie.
Aanvankelijk diende dit ter rechtvaardiging van represailles gedurende de opstand 10 , zoals het in brand steken van dorpen in de nabije omgeving van Cawnpore waarbij de bewoners omkwamen. In juni 1857 werd krijgswetgeving aangenomen waardoor het leger burgers kon berechten. In de praktijk leidde dit tot ophanging op grote schaal van mannen die verdacht werden van muiterij. 11
Ideeën over het niet aflatend Indiase gevaar werden gereproduceerd door de toeristische ‘pelgrimage’ langs alle steden waar de Britten grote verliezen leden in de Opstand, de reisverslagen en historische werken én foto’s van commerciële fotografen als Bourne. Circulerende beelden van het park in Cawnpore vervulden zodoende een belangrijke rol in de Britse herinneringspolitiek. 12

Zijaanzicht van de engel, foto op frontispice van het werk, Indian Reminiscences van Colonel Samuel Dewé White, van 1845-1870 in het Bengaals leger. Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-2001-7-422-1.

Stoffage

De aanleg van het park en de gedenkplaats met de engel werden bekostigd met de opbrengsten van een speciale belasting (circa 30,000 pond) die de gehele bevolking van Cawnpore was opgelegd, als collectieve straf voor het uitblijven van verzet tegen de opstandelingen. Indiërs dienden een speciale vergunning aan te vragen om het park te mogen betreden. Deze werd hoogst zelden verleend en ook dan bleef het voor hen verboden om het bouwwerk met de engel te betreden. 13

Samuel Bourne, herinneringspark Cawnpore met de gotische muur op de achtergrond (1865). Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-F00615.

Gezien het toegangsverbod voor Indiërs mag het opmerkelijk heten dat Bourne op bovenstaande foto drie Indiase mannen in het park liet poseren. Wilcock vermoedt dat Bourne drie dagers voor de camera plaatste, op gepaste afstand van het monument. In zijn analyse van de foto stelt Wilcock dat de drie mannen niet vastgelegd zijn als individuen, maar als belichaming van de native ofwel ‘inlander’. Wilcock ziet een ambivalentie in de foto: van de mannen gaat niet de geringste dreiging uit. Hij hanteert de term stoffage, afkomstig uit de schilderkunst, om de positie van de Indiërs te omschrijven. De drie mannen geven een indruk van de schaal van het monument en verlevendigen het geheel. De staande houding van de man in het midden harmonieert met de slanke bomen die ordelijk in het park geplant zijn, de zittende mannen weerspiegelen elkaars houding. Het beeld van ‘potentiële rebellen’ werd hier verdrongen door Britse opvattingen over de passieve, ‘indolente Indiërs.’ 14

1854 – 1880 ‘Nautch girl’

Several museums hold photographs in their collection that combine elements that figured prominently in the British colonial imagination of India: Kashmir and dancing women.

Lalla Rookh

When Irish poet Thomas Moore published his ‘Oriental Romance’ Lalla Rookh in 1817, it became an instant bestseller. Moore’s main character was the fictional daughter of Mughal emperor Aurangzeb (1618-1707), her name translates as ‘tulip cheek’. She travels from the imperial court in Delhi to Kashmir, for her marriage to a young prince in the garden Shalimar (‘the abode of love’). Moore evoked an image of an idyllic Kashmir, with a scenery of otherworldly beauty.

The author never set foot in Kashmir. His ‘romance’ was based on an extensive library of travelogues, pictorial sources and scholarly treatises on India, Persia and Central-Asia. Nevertheless, Lalla Rookh moulded perceptions of later artists that visited India. In 1846 the East India Company (EIC) created the princely state of Jammu and Kashmir and sold the territory to ruler Gulab Singh. 1 As a princely state the area became accessible for travellers like the watercolourist William Carpenter (1818-1899). He travelled through India from 1850-1857 and made a series of paintings in Kashmir in the years 1854-1855. Using Lalla Rookh as a travel guide, he visited the landmarks in the city of Srinagar that Moore had extolled four decades earlier.2

William Carpenter, Two Natch girls, Kashmir (1854), Victoria and Albert Museum, item nr. S.157-1882

‘Two Natch girls’ of Carpenter contains elements that enabled the spectator to relate it to Kashmir. The two women are wearing white Kashmiri gowns, known as pheran. Usually, a lighter gown (poots), is worn underneath the pheran but Carpenter has omitted this, allowing to show more bare skin. One woman smokes a hookah, the other dreamily looks sideways. The flower in her hand could be a blooming tulip, as a reference to Lalla Rookh. Both women are framed within Mughal architecture: on one side the baluster column, on the other the stone window (jarokha), with a grand view of the mountainous landscape.

Nautch

‘Natch’, which Carpenter used in the title, and ‘nautch’ were Anglicised forms of the Hindi word naach¸ a neutral word for dance. Today, nautch is considered a problematic term. Barlas showed that women with widely diverse occupations and skills were called ‘nautch girl’. This encompassed highly trained poets, singers, and dancers who were attached to courts and temples, as well as women who earned a living as entertainers or prostitutes. Thus nautch was a false or even illusory category. 3 Nonetheless, some photographs in different collections seem to contain traces of a distinct art form that was subsumed in the category of nautch.

Samuel Bourne (1834–1912) is considered one of the most important photographers of colonial India, working in the second half of the nineteenth century. The majority of his work consists of landscapes and architectural splendours, while his images of Indian people are less numerous. 4 In 1863 he established the firm Bourne & Shepherd, by 1866 the catalogue included 600 different photographs, about a third of Kashmir. 5

Samuel Bourne, Natch girls of Srinugger, Cashmere (1860s), British Library, item.nr. 39416.

Bourne commented on his portrait of a group of ‘natch girls’:
[…]They were very shy at making their appearance in daylight, as, like the owl, they are birds of the night. […]They squatted themselves down on the carpet which had been provided for them, and absolutely refused to move an inch for any purpose of posing; so after trying in vain to get them into something like order, I was obliged to take them as they were, the picture, of course, being far from a good one. […] 6

left: Bourne & Shepherd, Kashmeer – A Natch (1864), Victoria and Albert Museum, id. nr. IS.7:50-1998. Two dancers in a semi-circle, one in a pose with her skirt, surrounded by musicians and spectators.

right: John Burke, Kashmir Dancers, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz,id.nr. VIII C 600 b. One dancer holding her skirt, on the right a musician with a saaz-e-kashmir.

Although Bourne complained about the women’s unwillingness to pose, another photograph in the collection of the Victoria and Albert Museum shows a lively image. A group of men is sitting on a carpet, in their midst musicians; the rectangular santoor, the Kashmiri zither, is clearly discernable. Some spectators have turned their faces to the photographer, but the focus is on the two standing women in the middle of the semi-circle. The woman on the left holds the hem of her transparent skirt in her hand, creating movement while standing still. The group is surrounded by lush trees, it seems very likely Bourne made the photograph in a pavilion (baradari) of Shalimar Bagh in Srinagar, the garden of love where the fictional Lalla Rookh married.

Samuel Bourne, Natch House, Shalimar gardens, Srinugger (1860s) British Library, id. nr. 39419.

One of the competitors of Bourne’s firm was Baker & Burke. Like Bourne, founder John Burke took more than a hundred photographs in and around Srinagar. 7 In Burke’s group portrait five musicians are playing their instruments. On the left, a player of the santoor is sitting in front, next to him a man holds a sehtâr, a Kashmiri lute. On the right, behind the musician on the santoor, two men hold a saaz-e-kashmir, a local version of the viol.

Dancers and musicians, Baker and Burke, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, id. nr. VIII C 1822

The combinations of these instruments strongly suggest this is an ensemble of Sufiana Kalam, considered by Kashmiris as their classical music. 8 Sufiana Kalam was performed in religious as well as secular gatherings (mehfil), where musicians sang the mystical poems of Persian Sufis. The music ensemble accompanied Hafiza Nagma, professional dancers who sang in Persian and Kashmiri and conveyed the meaning of the words through bodily movements, facial expressions, and hand gestures.9

Portraits by Bourne and Burke show that they were not concerned with the intricacies of a performing art. Instead, the commercial success of their works depended on exoticizing the ‘nautch girls’. Barlas argues this was achieved by the physical depiction of the women.10 In the painting as well as the photographs the white pheran, emphasize femininity (as perceived at that time). Carpenter paid much attention to the elaborate hair jewellery (matha patti), 11 and their nathni (nose ring) seems to glisten.

left: Dancers and musicians from Kashmir, John Burke, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, id. nr. VIII C 1770. The musician in front plays the santur, behind him a man is holding a saaz-e-kashmir.

right: Francis Frith (Studio Frith´s Series, A Cashmerian Nautch girl, (ca. 1887), Rijksmuseum, id.nr. RP-F-F80347.

Another trope of exoticization is the woman who is performing in a public or private space. 12 To communicate the ‘nautch girl’ was actually dancing, photographers Bourne and Burke used the pose of a woman holding the hem of her skirt in her hand. Burke chose the pose of one hand at the back of the head. Photographers of the successful commercial company of Francis Frith repeated this same pose more than ten years later. 13

John Burke, Asisi, 22 years old, Kashmir Dancing girl, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz

Objects, probably available in the photo studio, enforced the meaning of women reclining or lounging. In Burke’s group portrait of the ensemble, two women are smoking a hookah and within reach are two samovars, a Kashmiri speciality to boil, brew and serve tea. In the photograph of Asisi the samovar stands on a tray with teacups, an echo of the painting of Carpenter. Asisi has freed her feet from her shoes (khussa), and leans against a bolster (gao takia).

In combination with the reclining pose, the photograph suggests spectators are offered a view in the private quarters of the women, in India known as zenana.  This suggestion is even stronger when several women are in the picture.

left: Francis Frith, Nautch Girl Cashmere (1850-1870), Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, id.nr. VIII C 1776.

right: John Burke, Kashmir dancers, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, id.nr. VIII C 600 a

Bourne, as well as Firth, made a composition with a woman seemingly alone in a room. She is reclining in a half-lying position, one side of the body supported by the bolster. She evokes sensuality and pleasure while transgressing Victorian morality. This perception would determine the fate of the dancers, singers and artists in the whole of India after 1890. Performing Hafiz Nagma was prohibited by the Kashmiri ruler in the early 1920s, the tradition is now all but lost.

left: Samuel Bourne, Cashmere Nautch Girl (1860s) British Library, id. nr. 70

right: Francis Firth (1850-1870),A Cashmerian Nautch Girl, Rijksmuseum, id.nr. RP-F-F80348

Virginian

N.V. Eerste Nederlandse Witmetaalfabriek te Loosduinen, bronzen beeld, ca 1926 – 1969 . Twee rokende mannen met een verentooi en rok van tabaksbladeren, leunend tegen een vat dat gevuld is met tabaksbladeren . Collectie Liemers Museum, inv.nr. 07014-00.

Vanaf 1613 begonnen experimenten met de verbouw van tabak in Virginia, sinds 1607 de eerste Engelse kolonie in Noord-Amerika. Een luttele vijf jaar later werd er meer dan achttienduizend kilo tabak naar Engeland uitgevoerd.1 De teelt was uiterst bewerkelijk en vanaf 1618 werd dit bewerkstelligd door onvrije arbeid, aanvankelijk door mannen uit Engeland. Vanaf halverwege de zeventiende eeuw zagen landbouwers uit Wales en Engeland zich door het mislukken van oogsten genoodzaakt een contract aan te gaan dat hen verplichtte vier tot zeven jaar op de tabaksvelden te werken.2

Johannes van Oye, Tabaksvignet van papier, c. 1730-1760. Links een staande koopman. Een Afrikaanse vrouw biedt hem een bos tabaksbladeren aan. Voor haar zit een inheemse Amerikaan met pijp op een half geopende tabaksmand. Collectie Amsterdam Pipe Museum, inv.nr. APM 25.002

Van groter belang was de slavenarbeid. Engelse kolonisten kwamen in het bezit van inheemse Amerikanen door hen te ruilen tegen wapens. Deze ruilhandel werd bedreven met inheemse bevolkingsgroepen die zich bewapenden, mede om te voorkomen dat zij zelf tot slaaf gemaakt werden. Zodoende bereikten de Richahecrian en de rivaliserende Occaneechi een dominante positie die hen in staat stelden andere inheemse groeperingen te onderwerpen en verhandelen.3 Hoewel de prijzen fluctueerden, bleef de productie van tabak toenemen – wat mogelijk was door de trans-Atlantische slavenhandel. In de periode 1698-1774 werden naar schatting 80.000 tot 100.000 mensen uit Centraal- en West Afrika naar Virginia verscheept. 4

Links: houten beeld (1775). Jongen die een pijp rookt, draagt hoofdversiering van rood, wit en zwarte veren en een lendendoek. In zijn rechterhand heeft hij een bos tabaksbladeren, zijn linkerhand rust op een tabaksrol. 1775, Collectie Ottema-Kingma Stichting, inv.nr. NO 14562.

Rechts: Houten beeld, ca 1750 -1799. Donkere man gekleed in een witte tuniek en een geplooide roodgele rok. Hij draagt een tulband, halsdoek, met metaal beklede schoenen en opgerolde sokken. De linkerhand rust op een tabaksrol. Collectie Ottema-Kingma Stichting, inv.nr. NO 14561.

Tegen deze achtergrond zou het houten beeld uit de collectie van de Ottema-Kingma Stichting kunnen worden bekeken. In 1605 opende de eerste tabakswinkel in Londen, herkenbaar aan de uithangborden. Molineux liet in een uitgebreide studie van Britse vignetten en advertenties zien dat een hybride figuur ontstond, de black virginian waarin Turkse, Afrikaanse en inheems Amerikaanse elementen werden samengebracht. 5

Gravure (1617). Collectie British Museum, inv.nr. Gg,4U.13. Links de toonbank met daarop de rokende virginian.

De eerste afbeelding van een black virginian is te zien in het boek ‘The smoaking age or the life and death of tobacco‘ (1617). Het frontispice is een weergave van het interieur van een tabakswinkel. Op de toonbank is een kleine, donkere figuur te zien; hij rookt een pijp, houdt een tabaksrol onder zijn linkerarm en aan zijn voeten liggen kleipijpen. In Engelse havensteden waren houtsnijders die zich specialiseerden in het vervaardigden van boegbeelden en sierlijk bewerkte achterstevens. De houten virginians in tabakswinkels, koffiehuizen en tavernes zijn mogelijk van hun hand afkomstig. 6 Gedurende de zeventiende eeuw verspreidde de figuur zich in het Engelse straatbeeld: eigenaren van tabakswinkels lieten visitekaartjes, kwitanties en verpakkingsmateriaal ontwerpen waarop de virginian te zien was 7 Vanaf de achttiende eeuw werd de figuur ook afgebeeld op tabakszakjes, vignetten en advertenties in Nederland. 8

Papieren sigarenzakje ‘De Wilde man’,ca.1884 – 1890. Links een donkere man met verentooi en rok van tabaksbladeren, op de rug een pijlenkoker, gewapend met knots en lans. Collectie Amsterdam Pipe Museum, inv.nr. APM 26.018b

ca. 1940-1950 Museu do Dondo

“Museu de Angola 5 aspecto de secçao de Etnografia”.Au centre: “Ediçao do museu de Angola – Luanda”. “Leonar”, collectie Musée du Quai Branly, inv.nr. PP0230365 .

Bovenstaande kaart is afkomstig uit de collectie van het Musée du Quai Branly te Parijs. Op de foto is een deel van een museumzaal te zien met ceremoniële voorwerpen van de bevolkingsgroep Chokwe, uit de regio Lunda in het noord-westen van Angola. Een prominente plaats is weggelegd voor ceremoniële stoelen (ngundja), bestemd voor leiders van de Chokwe. In Nederland is een dergelijke stoel opgenomen in de collectie van het Nationaal Museum van Wereldculturen 1 en ook diverse Amerikaanse musea hebben de ngundja in hun collectie
uitgebreid omschreven. 2

De foto uit de collectie van het Musée de Quai Branly geeft echter geen museumzaal in Europa of de Verenigde Staten weer, maar het Museu do Dondo in Angola – tot 1975 een Portugese kolonie. Het museum werd in 1936 opgericht door de Companhia de Diamantes de Angola (Diamang, 1917-1975), een consortium van investeerders uit Portugal, België, Frankrijk en de Verenigde Staten. 3

Belangrijk in de beginjaren van de instelling was José Redinha (1905-1983). Hij maakte in de periode 1936-1946 diverse verzamelreizen om voorwerpen van de Lund en Chokwe bijeen te brengen. Tot zijn betrokkenheid bij het museum was Ledenha werzaam bij de posterij van het Portugese koloniale bestuur. Redinha werd in 1942 benoemd tot conservator van het Museu do Dondo, drie jaar later begon hij aan een studie etnografie in Lissabon. 4

Bij het museum hoorde een ‘village indigène’ (letterlijk: inheems dorp), een formule die sinds het einde van de negentiende eeuw groot succes oogstte op wereldtentoonstellingen. Dit dorp zou het traditionele leven van de Chokwe weergeven, met op de voorgrond een mannenhuis. Collectie Musée du Quai Branly, inv.nr. PP0075605.

Het Museu do Dondo in Angola is slechts één van de musea die in Afrikaanse koloniën als Zuid-Afrika en Senegal werden opgericht. Zowel de architectuur van de gebouwen als de wijze van presentatie waren gebaseerd op Westerse modellen en ideeën. Evenals de volkenkundige musea in Europa weerspiegelde het Museu do Dondo weerspiegelde de relatie tussen kolonisator en kolonie. De keuze van de objecten en de opstelling hiervan werd bepaald door Europeanen – hoewel het museum op Angolese grond stond. Daarnaast wijst het feit dat de instelling werd opgericht door een diamantonderneming die behoefte had aan kennis had aan de lokale bevolkingsgroepen, op de nauwe relatie tussen koloniale politiek en economie en de doelstelling van het museum. 5

error: