ca. 1940-1950 Museu do Dondo

“Museu de Angola 5 aspecto de secçao de Etnografia”.Au centre: “Ediçao do museu de Angola – Luanda”. “Leonar”, collectie Musée du Quai Branly, inv.nr. PP0230365 .

Bovenstaande kaart is afkomstig uit de collectie van het Musée du Quai Branly te Parijs. Op de foto is een deel van een museumzaal te zien met ceremoniële voorwerpen van de bevolkingsgroep Chokwe, uit de regio Lunda in het noord-westen van Angola. Een prominente plaats is weggelegd voor ceremoniële stoelen (ngundja), bestemd voor leiders van de Chokwe. In Nederland is een dergelijke stoel opgenomen in de collectie van het Nationaal Museum van Wereldculturen 1 en ook diverse Amerikaanse musea hebben de ngundja in hun collectie
uitgebreid omschreven. 2

De foto uit de collectie van het Musée de Quai Branly geeft echter geen museumzaal in Europa of de Verenigde Staten weer, maar het Museu do Dondo in Angola – tot 1975 een Portugese kolonie. Het museum werd in 1936 opgericht door de Companhia de Diamantes de Angola (Diamang, 1917-1975), een consortium van investeerders uit Portugal, België, Frankrijk en de Verenigde Staten. 3

Belangrijk in de beginjaren van de instelling was José Redinha (1905-1983). Hij maakte in de periode 1936-1946 diverse verzamelreizen om voorwerpen van de Lund en Chokwe bijeen te brengen. Tot zijn betrokkenheid bij het museum was Ledenha werzaam bij de posterij van het Portugese koloniale bestuur. Redinha werd in 1942 benoemd tot conservator van het Museu do Dondo, drie jaar later begon hij aan een studie etnografie in Lissabon. 4

Bij het museum hoorde een ‘village indigène’ (letterlijk: inheems dorp), een formule die sinds het einde van de negentiende eeuw groot succes oogstte op wereldtentoonstellingen. Dit dorp zou het traditionele leven van de Chokwe weergeven, met op de voorgrond een mannenhuis. Collectie Musée du Quai Branly, inv.nr. PP0075605.

Het Museu do Dondo in Angola is slechts één van de musea die in Afrikaanse koloniën als Zuid-Afrika en Senegal werden opgericht. Zowel de architectuur van de gebouwen als de wijze van presentatie waren gebaseerd op Westerse modellen en ideeën. Evenals de volkenkundige musea in Europa weerspiegelde het Museu do Dondo weerspiegelde de relatie tussen kolonisator en kolonie. De keuze van de objecten en de opstelling hiervan werd bepaald door Europeanen – hoewel het museum op Angolese grond stond. Daarnaast wijst het feit dat de instelling werd opgericht door een diamantonderneming die behoefte had aan kennis had aan de lokale bevolkingsgroepen, op de nauwe relatie tussen koloniale politiek en economie en de doelstelling van het museum. 5

2013 Ogbechie: the canon of African art

NRC Handelsblad bracht op 25 oktober 2018 een ‘Special koloniale roofkunst’ uit. Zowel het verzamelen van etnografica als het tentoonstellen van mensen behoren tot het negentiende eeuwse tentoonstellingscomplex, vandaar dat het van belang is kennis te nemen van deze actuele discussie. 

De artikelen in de NRC- bijlage hebben minder oog voor een structurele ongelijkheid die gepaard gaat met het feit dat Europese instellingen Afrikaanse kunstschatten beheren: de kennisproductie vindt in het Westen plaats. Sylvester Okwunodo Ogbechie, verbonden  aan de University of California in Santa Barbara (USCB, behandelt dit in een registratie van een lezing die is gebaseerd op zijn boek ‘Making history. African collectors and the canon of African art.

De vorming van de canon begon in de negentiende eeuw, gelijktijdig met het kolonisatieproces van Afrika. Ogbechie merkt op dat de culturele rijkdom zo overging van Afrikaanse producenten naar niet-Afrikaanse verzamelaars en instellingen. Zijn belangrijkste punt is echter dat de objecten vanaf het moment dat zij deel uitmaakten van Europese museale en private collecties, onderdeel werden van de westerse kennisproductie. Ze werden nauwkeurig nagetekend of gefotografeerd,  gedetailleerd omschreven, als ‘topwerk’ getoond in tentoonstellingen en opgenomen in prestigieuze catalogi – een proces waarbinnen iedere fase het object dieper in de canon verankerde.

Ogbechie vervolgt dat deze canon statisch is: het is vrijwel niet mogelijk hier nieuwe werken in op te nemen. Dit geldt onder meer voor kunstobjecten die al opeenvolgende generaties in het bezit zijn van (vooraanstaande) Afrikaanse families en het continent nooit verlaten hebben. Ogbechie maakt duidelijk dat juist omdat de werken zich in Afrika bevinden, er twijfels bestaan over de antiqiteit en authenticiteit.  Hij verklaart dit als volgt:  de voorwerpen die werden verzameld in het koloniale tijdperk waren in eerste instantie representatief voor een specifieke periode: namelijk die waarin ze verzameld werden. Het ontbreekt in het Westen aan kennis over het langere proces waar de objecten deel van uitmaken; er waren eerdere vormen waar zij op voortborduren en latere vernieuwingen. De canonisering van werken uit de koloniale periode verhindert dat dit proces in ogenschouw wordt genomen. Ogbechie illustreert dit met de bronzen van Benin, die in westerse musea terecht kwamen na een strafexpeditie van de Britten in 1897. Na de strafexpeditie bleven de gildes voor bronsbewerking bestaan – maar werken die zij in de twintigste eeuw vervaardigden werden niet beschouwd als authentiek omdat ze tot behoorden tot de in 1897 ontstane collectie. Dit eerste deel van de lezing bevat ook een voorbeeld uit Ogbechie’s persoonlijke geschiedenis; hij behoort tot een familie van traditionele heersers, de oba.  Het tweede deel is een illustratie van dit proces aan de hand van stukken van een Afrikaanse verzamelaar.