1971: Fragment Foucault

In het werk van het Franse collectief ACHAC, zijn invloeden herkenbaar van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Een directe referentie aan zijn werk namen de vijf redacteuren van ACHAC op in hun bundel ‘Human zoos.’ Hier stellen zij dat Europa een traditie kent in het tentoonstellen van mensen. Sinds de zestiende eeuw vormde het bekijken van mensen die fysiek of mentaal duidelijk anders waren een onderdeel van de populaire cultuur. De auteurs wijzen hierbij kort op Foucaults ‘grote opsluiting’ vanaf halverwege de zeventiende eeuw: het afzonderen van armen, zieken, prostituees en bedelaars in instellingen waar zij gedisciplineerd werden. Nu het ‘abnormale’ werd verdrongen naar de marge van de samenleving, ontstond er een grotere behoefte om het afwijkende zichtbaar te maken en te ervaren; reden dat de mensententoonstellingen tot bloei konden komen.1

De relatie die ACHAC legt tussen raswetenschap, door hen ‘wetenschappelijk racisme’ genoemd en de mensententoonstellingen, getuigt in brede zin van een Foucaultiaans perspectief. In deze visie bestudeerden, observeerden en beschreven geleerden de tentoongestelde, niet-westerse mens. Mensen werden gecategoriseerd en ingedeeld in verschillende groepen – die een eigen plaats kregen toebedeeld in de raciale hiërarchie .

In een fragment op YouTube spreekt Foucault over zijn studie naar waanzin in relatie tot de omgang met niet-westerse culturen. Foucault bedient zich hier van een zeldzaam eenvoudig taalgebruik; reden dat dit bericht niets meer omvat dan een letterlijke, gedeeltelijke  weergave van de Nederlandse ondertiteling van 1.33 – 4.55 minuten.

” De Westerse beschaving is al lang, sinds de Griekse tijd, vertrouwd met het verschijnsel van de krankzinnigheid. Krankzinnigen komen voor op het toneel en in de literatuur. Maar pas na 1800 werd de waanzin object van de wetenschap. Pas in de 17e eeuw werd de gek uit de maatschappij gestoten, werd hij uitgesloten. […] Daarna pas kon de wetenschap van de waanzin zich ontwikkelen, vanaf het ogenblik dat men de oude vertrouwdheid doorbrak die men vroeger met de krankzinnigheid had. Ik heb daarover een zuiver geschiedkundige studie gemaakt en ik heb me afgevraagd of wij westerlingen ons niet te grote illusies maken over onszelf. We beelden ons graag in dat we een erg tolerante beschaving zijn, dat we alle cultuuruitingen die ons vreemd zijn, verwelkomd hebben, dat we ook alle afwijkingen verwelkomen: die op het gebied van taalgebruik en seksualiteit, etc.
Ik vraag me af of dat niet een illusie is. Anders gezegd: om de waanzin te kennen, hebben we hem moeten buitensluiten. Misschien moesten we, om de niet-westerse culturen te kennen (de primitieve, of Amerikaanse, of Chinese culturen) die culturen niet allen buitensluiten en ze zelfs verachten, maar ze ook uitbuiten en tot zwijgen brengen. Men bracht de waanzin tot zwijgen en kende hem toen. Men bracht de vreemde culturen tot zwijgen en kende ze. […] Daarom is mijn hypothese dat de universaliteit van onze kennis is verkregen ten koste van uitsluiting, verbod, weigering, verwerping, ten koste van een stuk wreedheid ten opzichte van de werkelijkheid .”

  1. Pascal Blanchard e.a., ‘Human zoos: the greatest exotic shows in the West. Introduction’ in: idem ed., Human zoos. Science and spectacle in the Age of Colonial Empires (Londen 2008) 1-49, aldaar 11.