1883 Kalina, Suriname

Friedrich Carel Hisgen, Portrait de groupe de Kalina et Lokono à l’Exposition universelle (1883), Collection Rijksmuseum, Amsterdam, no. RP-F-1994-12-1.

Tout comme l’exhibition de Galibi à Paris, l’exhibition de vingt-quatre Surinamais lors de l’Exposition coloniale et commerciale internationale á Amsterdam était une initiative privée. Parmi eux, treize Kalina, dont trois femmes. Dans sa contribution à Eigen Haard, George Zimmerman (1839-1928) a rapporté que le succès de Lagrange en 1882 avait inspiré cette exhibition humaine. 1
Le 15 avril 1883, deux semaines avant l’ouverture de l’exposition, le journal West Indiër a publié une lettre anonyme de remerciements aux directeurs de la « Société d’Exploitation Surinamaise », JE Muller et CM de Leeuw. Le contributeur était heureux que plusieurs milliers de visiteurs à Amsterdam aient pu prendre note des « sauvages et semi-sauvages ». À leur tour, ils sont entrés en contact avec le « monde civilisé et savant. Un pas sera fait vers une civilisation lente, graduelle mais sûre! » 2

Charles Rochussen, Portrait d’un Alenka-ka-ma debout, Kolleté, (11 ans) assis dans un hamac et Awarahena (six ans), Collection Wereldmuseum – NMvW, Rotterdam, no.. WM-28801-1 et WM-28801-2.

Quelques jours après l’ouverture le 1er mai, l’Algemeen Handelsblad s’est demandé si des radiateurs pouvaient être placés dans le cirque car le groupe souffrait visiblement du froid, ils « frissonnaient, bien qu’ils soient encore enveloppés dans des couvertures de laine ». Le journaliste du Rotterdamsch Nieuwsblad a déterminé que les femmes qui appartenaient aux soi-disant « types créoles » ont réussi à résister au froid glacial. Cependant, leurs regards et gestes avaient révélé qu’elles « appartenaient à une classe de femmes non mentionnée ». Son souci était donc pour les « peaux rouges » :
[…] Des êtres raisonnables, descendants d’une race ancienne et fière, des gens de mouvements égaux, de besoins égaux, de souhaits égaux comme nous […]. Il est vrai que s’ils meurent, cela économisera le coût du voyage de retour. Nous n’avions pas pensé à cela; cela peut être un motif valable pour les laisser geler! 3

Nieuws van den Dag a publié une série en trois parties sur les groupes exhibés, sous les titres « Indiens », « nègres des plantations » et « bushinengués ». Les articles avaient le ton des traités ethnologiques; les détails physiques, la répartition des rôles entre les hommes et les femmes, l’industrie et les coutumes sociales ont été discutés en détail. Compte tenu des Caraïbes, le journal a conclu :
Ils s’isolent de toutes les questions sociales, pour que leurs facultés mentales ne se développent pas. En tout cas, peu d’avenir est à prévoir pour les Indiens, quel que soit le potentiel qu’ils possèdent. 4

Friedrich Carel Hisgen, Jacqueline Ricket (sur une chaise) et Wilhelmina van Eede (assise par terre) devant une « cabane de plantation» , lors de l’exhibition humaine à Amsterdam, 1883. Collection Rijksmuseum, Amsterdam, no. RP-F-1994-12-67.

Peut-être parce que les Kalina étaient considérés comme un groupe qui n’aurait aucune part dans l’avenir de la colonie, ils ont reçu moins d’attention que les autres groupes. Nieuws van den dag a notaient qu’aucune des populations n’a pu «sortir la colonie tombée de son déclin et de la ramener à la prospérité». 5
Les anciens esclaves ont été accusés d’avoir sapé l’économie des plantations. Les soi-disant «nègres des plantations» étaient désormais mieux lotis que les agriculteurs ou les ouvriers néerlandais, mais ils déménageaient en ville «en raison de leur aversion pour le travail régulier». 6
Le même verdict a été exprimé à propos du « bushinengué» : […]il passe sa vie dans la paresse et l’oisiveté et ne prend la hache que lorsque la nécessité l’exige». Il n’était pas défendable pour le journal que des ouvriers agricoles sous contrat aient été amenés d’Asie au Suriname, alors que le pays « a sa propre population forte dans les hauts plateaux ». 7

Portrait de Kojo A Slen Gri, Marron du Suriname, lors de l’exhibition humaine à Amsterdam, 1883. Collection Rijksmuseum, Amsterdam, no. BI-F-B0659-2.

Les trois articles de Nieuws van den Dag ne contiennent pas de nom d’auteur. En juin 1883, le même journal a publié un article de Frederik van Eeden, alors directeur du Colonial Museum de Haarlem. Dans sa description de l’exposition coloniale, Van Eeden a également abordé le thème du déclin économique au Suriname, qui avait commencé après l’abolition de l’esclavage. Van Eeden a parlé du déclin des plantations et des coûts élevés associés à l’approvisionnement des « indigènes chinois ou indiens de l’Est (Coolies) ». Le directeur du musée a appelé les « jeunes fils des Pays-Bas » non seulement à avoir un œil sur les possessions de l’Est, mais aussi à tourner leur regard vers l’Ouest, étant donné les nombreuses opportunités d’y faire fortune. Pour garder les deux colonies comme « notre héritage légitime », il semblait d’une grande importance que les Néerlandais s’installent au Suriname :

Le nègre est un « humain », mais pas tout à fait comme nous. Il est enfantin, insouciant, imprévisible, toujours impressionné par le moment; il a certainement besoin d’autorité, de direction , plus paternel et sérieux, mieux c’est. Il est paresseux de nature, et s’il est forcé de travailler par une légère contrainte et peut continuer à vivre avec sa famille sans soucis, il est beaucoup plus heureux que s’il était traité à égalité avec l’Européen.8


1880-1881 Inuit, Labrador.

In 1880 presenteerde Carl Hagenbeck een völkerschau van acht Inuit uit Labrador. Na een zware boottocht vanuit Groenland waren zij te zien in Hamburg, Berlijn, Praag, Frankfurt en Darmstand.  Geen van de Inuit zou deze tournee overleven.

Hagenbeck had in 1877 een eerste völkerschau met Inuit georganiseerd. Deze groep, twee jonge mannen en een moeder met twee kinderen, was voor Hagenbeck geworven door Johan Adrian Jacobsen (1853-1947) die medewerking had gekregen van de Deense autoriteiten. Bij zijn tweede reis in 1880 wilde Jacobsen aanvankelijk dezelfde mensen als in 1877 werven, maar ditmaal verleenden de autoriteiten geen toestemming voor het gezin dat destijds zoveel succes had geoogst.1

Omdat zijn pogingen om mensen te werven op Groenland vergeefs bleven, zag Jacobsen zich gedwongen verder Labrador in te trekken. Hier bezocht de Noor Jacobsen gemeenschappen die waren gegroeid rond de zendingsposten van de Moravische broeders – ook bekend als Hernhutters. In de gemeenschap Hebron, opgericht in 1831, vond Jacobsen de christelijke Abraham Ulrikab bereid om als tolk op te treden. In Hebron vergaarde Jacobsen een etnografische objecten  – naar later bleek waren deze deels uit graven geroofd. 2


Het gezin van shaman Terrianak, echtgenote Paingo en dochter Noggasak. Mogelijk genomen tijdens de völkerschau in Hamburg. Collectie Wereldmuseum – Nationaal Museum van Wereldculturen, inv.nr. WMR / 903482.

Jacobsen wist slechts één gezin te overreden de boottocht naar Duitsland te ondernemen: de shaman Terrianak, zijn echtgenote Paingo en hun dochter Noggasak. De Hernhutters hadden er geen bezwaar tegen dat dit ‘heidense’ gezin in Europese dierentuinen te zien zou zijn. Zij hadden daarentegen grote bezwaren tegen het  voor geld exposeren van christenen ‘als wilde dieren.’ Ondanks de weigering van de Hernhutters besloot de tolk Abraham met zijn echtgenote Ulrike, zijn dochters Sara en Maria en zijn neef Tobias Jacobsen naar Europa te volgen. 3

Abraham Ulrikab is een van de weinige deelnemers aan een völkerschau die een getuigenis naliet. Wellicht geïnspireerd door het dagboek dat Jacobsen tijdens de reis bijhield, begon Ulrikab een dagboek en schreef hij brieven aan de Hernhutters die werden gepubliceerd in het Missionsblatt der Brudergemeinde. 4
Het originele dagboek van Abraham Ulrikab is verloren gegaan. De Duitse vertaling die Hernhutter ‘broeder Kremtscher’ na Ulrikabs overlijden maakte, is in diverse onderzoeken gebruikt. Hartmut Lutz bewerkte het negentiende eeuwse Duits tot modern Engels, waaruit onder meer bleek dat de vader van Abraham een schuld bij de Hernhutters had opgebouwd, die na zijn overlijden op Abraham was overgegaan. Het optreden in de völkerschau bood zo een kans de schuld aan de broeders af te lossen en aan diepe armoede te ontkomen.

Artsen weten het overlijden van de vijftienjarige Noggasak aan diepe heimwee en ‘het gebruik van te veel lekkernijen, de toeschouwers haar geven. Haar maag verdroeg enkel traan en spek.’ 5 Haar lichaam werd in Darmstadt begraven.  De Leeuwarder Courant schreef: ‘De ouders wilden haar volstrekt naar hun eigen landsgebruik begraven, namelijk het lijk op den grond nederleggen en met aarde en steenen overdekken. […] Het eenige wat kon worden toegelaten, was, dat het lijk in vellen gewikkeld in de doodskist werd gelegd.’6


Portret van Ulrike, met op haar rug Maria, mogelijk gemaakt tijdens de völkerschau in Hamburg. Collectie Wereldmuseum – Nationaal Museum van Wereldculturen, inv.nr. WMR / 903481.

Toen moeder Paingo tien dagen na haar dochter overleed, realiseerde Jacobsen zich dat hij had verzuimd de acht Inuit tegen de pokken te laten inenten na hun aankomst in Duitsland. Als derde werd Sara, dochter van Abraham Ulrikab, ziek. Hij beschreef in zijn dagboek hoe Sara zichzelf in slaap zong met het lied ‘Ich bin ein kleines kindelein’. 7
Op de avond dat Sara stierf waren Abraham met zijn vrouw en dochter, neef Tobias en shaman Terrianak per trein onderweg naar Parijs. De völkerschau in de Jardin d’Acclimatation kon niet beginnen zonder dat de groep de benodigde inentingen had ontvangen. Ondanks de inentingen bezweken de vijf overgebleven Inuit begin januari 1881 aan de pokken.  De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant citeerde het Tagesblatt dat constateerde: ‘Dit treurige voorbeeld […] bewijst hoe verbazend snel natuurvolkeren bezwijken als zij door een van onze ziekten worden aangetast.’ 8

Lutz ging er bij het verschijnen van zijn boek in 2005 van uit dat de in Parijs overleden Inuit daar op een onbekende plaats begraven waren. 9. France Rivet, een Canadese lezer van zijn boek, was dermate diep geraakt door het verhaal van Abraham dat zij meerdere onderzoeksreizen naar Frankrijk maakte. Ze wist de lichamelijke resten van Abraham, zijn gezinsleden en de shaman Tigiannak terug te vinden in museale collecties in Parijs en Berlijn. 10

1880 ‘Nubiërs’


R. Riedel, Nubiër, 1880. Gemaakt in Zürich. Collectie Wereldmuseum – Nationaal Museum van Wereldculturen, inv.nr. WMR / 906564.

Carl Hagenbeck organiseerde in 1878 zijn tweede völkerschau, waarvoor hij ‘Nubiërs’ koos. In de beschrijving van twee portretten uit de collectie van het Wereldmuseum te Rotterdam, is opgenomen dat foto’s gemaakt zijn Zürich, augustus 1880. Uitgaande van deze locatie en datum gaat het hoogstwaarschijnlijk niet om de tweede völkerschau van Hagenbeck, maar om  een show van zijn concurrenten: de gebroeders Willy en en Heinrich Möller. 1

Evenals Hagenbeck bezaten de Möllers een dierhandel in de wijk St. Pauli in Hamburg. Willy Möller reisde naar de regio Soedan af voor de jacht op roofdieren en verzond deze naar Triëst of Marseille. Vervolgens gingen de dieren op transport naar Hamburg, waar Heinrich Möller ze verkocht aan menagerieën en dierentuinen. 2

Voor de völkerschau van 1880 had Willy Möller ‘tien mannen en twee vrouwen van verschillende stammen’ geworven. In navolging van Hagenbeck presenteerden de Möllers de groep als ‘Nubiërs’,  het klonk primitiever dan Soedanezen en hield een belofte van exotiek in zich. Echter, de mensen die werden geworven behoorden tot de christelijke en islamitische bevolkingsgroepen en spraken vaak uitsluitend Arabisch. 3

De twaalf mensen werden in deze völkerschau getoond met ruim  dertig dieren,  waaronder zes dromedarissen, drie giraffes, drie apen en twee kleine olifanten. 4