1897-1905 Eph Thompson

De collectie van her Allard Pierson Museum omvat een portret van Moses Ephraim Thompson (1859 – 1909) een Amerikaanse olifantendresseur die in de periode 1897-1905 meermaals optrad in Nederland.

R. Schwertführer Ephraïm Thompson, Berlijn. Collectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY001015674.

In haar sociaal-culturele benadering van het circus, beschrijft Davis de fundamentele betekenis van de voltooiing van de transcontinentale spoorlijn tussen de oost- en westkust van de Verenigde Staten (1868) voor de ontwikkeling van de amusementsvorm. Zij hanteert de term railroad circus, met wagons voor tenten, voedsel, levende have en slaapwagons; waar honderden mensen in dienst waren en evenzoveel dieren deel van uitmaakten.1 De strikte dienstregeling op het spoor, tezamen met de principes van Taylors scientific management leidden tot een gedisciplineerde en hoogst gespecialiseerde arbeidsverdeling voor het plannen van de tournee, werven van arbeiders, opbouw en afbraak van de tenten en marketing. 2

Launey & Goebel Photographers (1860-1890), twee Afro-Amerikaanse mannen en een vrouw bij een onderkomen van ofwel tot slaafgemaakten ofwel deelpachters – gezien de datering kan het om beide groepen gaan. Collectie Library of Congress, inv.nr. ppmsca 39591 //hdl.loc.gov/loc.pnp/ppmsca.39591

Childress stelt dat deze schaalvergroting van het circus voor Afro-Amerikanen een uitweg bood aan een bestaan als deelpachter 3 Tot het eerste decennium van de twintigste eeuw woonde 90% van de Afro-Amerikaanse bevolking in de zuidelijke staten, waar de plantage-economie tot 1865 in stand gehouden werd door slavernij.
Arbeid in de tweede helft van de negentiende eeuw werd gekenmerkt door deelpacht. Het ontbrak voormalige tot slaaf gemaakten aan middelen om grond aan te schaffen en noodgedwongen huurden zij van de vroegere slavenhouders hun onderkomen, zaden en gereedschap om katoen te telen op hun land. De opbrengsten werden aan de grondbezitter afgestaan als aflossing. Als gevolg van hoge rentes, het verbod om katoenzaad te bezitten, misoogsten en fluctuerende katoenprijzen leefden de deelpachters veelal in schuldslavernij.4

Strobridge Lith Co (1899). Circus van Barnum en Bailey bestaande uit hoofdtent en kleinere tenten. Op de voorgrond, en aan de linker- en rechterzijde van het affiche is een rijdende, rode stoomtrein te zien. Collectie Library of Congress inv.nr ppmsca 54833 //hdl.loc.gov/loc.pnp/ppmsca.54833

Niettemin was het Amerikaanse circuswezen van de negentiende eeuw doortrokken van zowel de ideologie als de structuur van rassenongelijkheid. De grote circussen Bailey en Ringling namen geen Afro-Amerikanen in dienst, bij concurrenten als Wallace, Forepaugh, Sells en Robinson vervulden zij ondergeschikte taken als staljongens, tafelbediendes, dragers en in de opbouw en afbraak van kleinere tenten. Het Amerikaanse circus bestond uit een hoofdtent (big top), de opbouw daarvan was voorbehouden aan de zogeheten‘witte brigades’, en kleinere tenten voor onder meer de menagerie en sideshows. 5
In de sideshows waren Afro-Amerikanen overwegend te zien als ‘wilden’, ‘kannibalen’, of de ontbrekende schakel in de evolutie van aap naar mens.6 Een uitzondering vormden de sideshow bands, die bestonden uit Afro-Amerikaanse muzikanten. 7 De bands werden soms vergezeld door Afro-Amerikaanse acrobaten, koorddansers en jongleerders, maar hun aanwezigheid bleef immer beperk tot de sideshows. 8

Frederick Whitman Glasier, P.G, Lowery Sideshow band – bestaand uit Afro-Amerikaanse muzikanten en, zittend op de eerste rij in wit gekleed, twee zangeressen. De band was bijzonder populair en genoot een grote reputatie. Collectie Ringling Museum, inv.nr 1963.1.701

De ouders van Thompson werden geboren in Kentucky, historicus Green neemt aan dat zij voor het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) naar Canada vluchtten, waar hun drie zoons ter wereld kwamen. 9 Eph Thompson begon als kind van veertien in circus Forepaugh, als waterdrager voor de olifanten. Auteur Daly merkte op dat Adam Forepaugh zijn zoon ‘Addie’ presenteerde als de jongste olifantentrainer ter wereld, maar dat Thompson degene was die daadwerkelijk met de 32 dieren werkte.
And the knowledge of how slaves of his parents’ generation had suffered may have made Eph Thompson all the more receptive to a radical philosophy based on gentleness. With the avowedly brutal Addie taking the credit, but the gentle Thompson most likely doing the actual training, the motivating principles would have been praise and rewards.’ 10

The comic boxing elephant Tom with Eph Thompson’.
Bron: http://bucklesw.blogspot.com/2007/01/eph-thompson-2.html

Thomspon voerde een act uit waarin hij een bokswedstrijd met één van de olifanten aanging, in het circus van Forepaugh was dit de olifant John L. Sullivan. The Washington Post deed verslag: ‘Sullivan was brought out and a glove was fitted to his trunk. The soft gloves fell without apparent effect on the animal’s thick hide, while the blows frorm his trunk were delivered with force, even if precision was lacking. The first round closed with a victory for the elephant. He sat down and was rubbed and fanned by two attendants.’ 11
Davis beschouwt de act als een verlengde van minstrel shows. Waar bijvoorbeeld witte leeuwentemmers heer en meester waren over de dieren, speelde Thompson een dommige lafaard, de olifant sloeg hem op zijn achterwerk of liet hem door de lucht tuimelen. Op het affiche wordt dit versterkt door de aanwezigheid van de clown, gekleed in hetzelfde kostuum als Thompson. Koorddansers en acrobaten voerden uiterlijk onbewogen levensgevaarlijke kunststukjes uit, de clown daarentegen zette het al gillend op een rennen bij het zien van een muis. 12

Thompson vertrok in 1885 naar Europa. Hier werkte hij voor Carl Hagenbeck, die in april 1887 een eigen circus oprichtte. In december 1887 berichtten verschillende Nederlandse nieuwsbladen op basis van de Hamburger Nachrichten over Thompson en zijn liefde voor schoonrijdster Dolinda de la Plata (1870-1965). Volgens de artikelen was Thompson grote eer ten deel gevallen na zijn optredens voor Renz en Hagenbeck. Vanwege het verzet van De La Plata’s ‘pleegvader’ 13 tegen de relatie, vluchtte het paar tijdens een optreden in Bremen. Thompson vond een engagement bij het Solansky Circus in St. Petersburg, waar de Amerikaanse consul het paar in de echt verbond.14

Advertentie in The Era (2 mei 1896).

Vanaf het begin van de jaren 1890 was Thompson te zien op prestigieuze podia, zoals in 1893 Covent Garden te Londen:
Eph Thompson may well claim that his five elephants are exceptional animals in point of intelligence, docility, and careful training. Four of them “waltzed” with the utmost gravity and accuracy of step. One animal raised his instructor from the ground, holding him between its trunk and large tusks ; it also perambulated the stage, limping on three legs. Music-stands and instruments being placed before the pachyderms, they showed their skill in turning the handles of organs, in playing on bells and on the big drum. Finally, a couple of them sustained a wire on which Madlle. Dolinda de la Plata poised herself and executed some intricate evolutions.’ 15

De affiches uit de collectie van het Allard Pierson Museum zijn mogelijk vervaardigd voor optredens in Parijs. In 1897 was Thompson te zien in Circus Carré, in advertenties werden de olifanten aangekondigd als de ‘drie vrolijke kegelaars’. Op de affiches is Thompson dynamisch afgebeeld: balancerend op een tussen de slurven van de olifanten gespannen koord, springend over het touw dat de dieren ronddraaien, als dirigent en als begeleider wanneer één van de olifanten een koprol maakt. Zijn kostuum met rode of blauwe huzarenjas en rijlaarzen kwam overeen met de militaire mode die onder Europese dierentemmers in zwang was. 16
In 1906 keerde hij terug naar de Verenigde Staten, waar hij zijn vier olifanten probeerde te verkopen.17 Thompson overleed in 1909 in Egypte en werd begraven op Brookwood Cemetary, Surrey.

Adolph Friedländer (1903) Thompson met ‘de enige olifant ter wereld die een salto kon maken’. Collectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002132

1897 28 augustus – 13 septemberCircus Oscar Carré, Amsterdam
190025 oktober – 2 septemberCircus Oscar Carré, Amsterdam
190131 januariCasino Rotterdam
190320 – 26 novemberCircus Oscar Carré, Amsterdam
190510 juli – 7 augustusCircus Albert Schumann, Den Haag.
Optredens Eph Thompson in Nederland (o.b.v. Delpher)

2020 Gevangen in de beeldtaal

Professional magazine ‘Theatermaker’, May edition 2020.

The May edition of the Dutch professional magazine for the perfoming arts ‘Theatermaker’, features my article ‘Gevangen in de beeldtaal. Afrikaanse mensvertoningen in Nederland’ (‘Locked up in the imagery. Human exhibitions of Africans in The Netherlands’). Kindly I would like to thank Floortje Bakkeren for initiating this opportunity, Simon van den Berg for his patience and constructive feedback and editor Katharina Veraart.

Delpher Kranten – De Telegraaf (09-03-1893)

Scramble for Africa

In 2009, Bert Sliggers, at the time curator of the Teylers Museum Haarlem, was the first to compose an overview of human exhibitions in The Netherlands. Using posters in city archives and reports in print media, he counted 34 human displays in 46 cities during the years 1825-1913. More than a decade after Sliggers’ publication, online databases allow for an expansion of Sliggers initial overview. Thus far I traced 68 human exhibitions in 366 Dutch cities in the period 1809-1951, mainly through advertisements and reports in the database Delpher.
Almost half of the exhibited groups involved Africans, which is consistent with findings for human exhibitions worldwide. The peak of the human displays coincided exactly with the ‘Scramble for Africa’: between 1880 and 1914, the continent was colonized and divided among European powers.

Zoological garden

In Dutch newspapers the human exhibitions were announced as African villages and ‘ethnographic exhibitions’, implying a truthful representation and educative experience. However, these human exhibitions were first and foremost a construction based on European notions of Africa and therefore staged in minute detail. Stemming from social Darwinism was the persistent conviction that Africans were the most primitive humans on the evolutionary scale. They were perceived to be closer to the animal kingdom and, by extension, very far removed from the apex of human evolution: the Occidental ‘white race’. Consequently, zoological gardens were regarded as a most suitable environment for the exhibitions of Africans.

The zoological garden of The Hague was the location for human exhibitions. In 1889 Dutch journalists described the Angolese women and men that were exhibited by Louis Joseph Goddefroy as “charcoal black creatures with their ape- like movements”, the face of one of the women was compared to that of a gorilla, her baby son to an orangutan.

Roland de Bonaparte, ‘Village angolais”, un album de 36 phot. anthropologiques présenté à l’exposition universelle de 1889 à Paris’, Bibliothèque nationale de France, id.no. , SGE SG WE-330. Lupaca, 10 years old, was property of the Portuguese slave owner De Braga in Angola. Goddefroy traded the boy against a British Bull Dog revolver. Lupaca suffered from hunger edema.

Agency

Some of the people that were exhibited by Goddefroy were serviçais : the property of Portuguese slaveholders. In his memoirs, Goddefroy recounted he bought one of the men after he was imprisoned after he tried to escape. The Angolese exemplify one end of the spectrum: people who were forced, sometimes after kidnapping, to be displayed.

The other end of the spectrum comprises Africans who willingly chose to take part in the exhibitions. A case in point is Sam Emanuels from Sierra Leone. Since 1902 he was a member of the group ‘Mandigo Warriors’, Amsterdam was part of their tour in 1909.
Anne Dreesbach mentions in her dissertation that Emanuel became an organizer of human exhibitions himself. He defined himself as a professional actor and impresario for ‘ethnic villages’ and seemed to have created agency and opportunities for himself and the men, women, and children in his group. Nevertheless, I argue this agency was limited since Emanuel remained chained to deeply rooted European perceptions of Africans as inferior.

Bill , design and print Adolph Friedländer (1905), Theatre Collection Allard Pierson Museum. id.nr. TEY0010000808

As can be seen on the poster for Emanuels’ show. the women wear costumes with uncovered arms and open neck;  markers of  unrestrained sexuality. The woman in the foreground smiles seductively at the viewer. Moreover, she carelessly holds a spear in her hands, while young children learn to handle the weapons. The combat scenes, ‘martial exercises’ and ‘sacrificial dances’ in the human exhibitions arose from ideas about the innate compulsion to brutality of  Africans.

Circus

Bill, design Potter, print Paul Grasnick, Hans Stosch-Sarrasani (ca. 1920-1930), Theatre Collection Allard Pierson Museum. id.nr.TEY0010004288.

The overview of Sliggers ended with  the First World War, but in the 1920s elements of human exhibitions remained ingrained in popular culture. A poster from the Theatre Collection of the Allard Pierson Museum shows Hans Stosch-Sarrasani, a legend in the circus world. He is portrayed in the costume in which he, seated on an elephant, made a grand entrance into the arena. The turban, glittering jewellery and the decorations adorning his chest seem to be expressions of the exuberant imagination that made a visit to his circus such a colourful experience. German historians offer a different perspective. They interpret the inclusion of  elements of human exhibitions in circus acts as a ‘colonial fantasy’.

Cultural historian Marline Otte (1999) states that Sarrasani dressed as a maharaja because he considered himself the enlightened ruler of a circus empire of native Americans, Arabs and Bedouins, Ethiopians, Indians, Chinese and Japanese. The cultural stereotypes from the human exhibitions thus became interwoven with an ideology based on racial superiority.

Deutsche Afrika-Schau

Dutch collections contain photographs of the 1930 Dutch tour of ‘Capitain’ Alfred Scheider and ‘Dawudu’s’, a prelude to the interweaving of the core ideas of human exhibitions with national socialism.

Fotobureau Gazendam, Alfred Schneider Dawudu’s, Theatre Collection Allard Pierson Museum. id.nr.TEY001008807.

Schneider is still renowned for his lion acts, but since 1921 he was organizing human exhibitions, known in Germany as Völkerschauen. In 1930, the so-called ‘Dawudu’s’ were men who had served in the German military in the former African colonies, African-American Clarence Walton, and women of mixed Afro-German descent. His experience with Völkerschauen made Schneider, an early member of the NSDAP, eligible to briefly become the leader of the Deutsche Afrika-Schau in late 1936. The Deutsche Afrika-Schau was founded around 1934 by Afro-Germans to protect themselves against overt hostilities and racism after the NSDAP came to power.

According to historian Susann Lewerenz (2006), some of the Afro-Germans had worked in theatres and the variety circuit. Initially, they performed cabaret, acrobatics, and vocals in the Afrika-Schau from their own repertoire. Schneider removed their own artistic repertoire and situated the Schau in the familiar setting of an African village: on the one hand to portray perceptions of inferiority, and on the other as propaganda for German colonialism. The photographs in Dutch collections have not yet been included in publications about the Deutsche Afrika -Schau and are thus a visual source of the history of this specific human exhibition.

Sources

  • Dreesbach, Anne, Gezähmte Wilde: die Zurschaustellung ‘exotischer’ Menschen in Duitschland, 1870 – 1940 (Frankfurt 2005).
  • Van Laak, Dirk, ‘Der lange Schatten der ‘Tropensehnsucht’’, Tagesspiegel (05.01.2019) https://www.tagesspiegel.de/wissen/deutscher-kolonialismus-der-lange-schatten-der-tropensehnsucht/23825568.html
  • Lewerenz, Susann , Die Deutsche Afrika-Schau (1935–1940). Rassismus, Kolonialrevisionismus und postkoloniale Auseinandersetzungen im nationalsozialistischen Deutschland, (Frankfurt am Main 2006).
  • Otte, Marline, ‘Sarrasani’s Theatre of the World: Monumental Circus Entertainment in Dresden, from Kaiserreich to Third Reich’, German History 17/ 4 (1999), 527 – 542.
  • Thode-Arora, Hilke, ‘From Samoa with love? Colonial power displays, commodities and state presents – contextualizing and exhibiting the Samoa collection in the Fünf Kontinente Museum, Munich’, in: Deutschen Museumsbund (ed.) Museumskunde band 81 1/16 (2016) 28-34.
  • Winkler, Dietmar, “Kapitän” Alfred Schneider : ein Sachse unter 100 Löwen : eine dokumentarische Biografie (Gransee 2014).

1916 Europa in Flammen

Affiche Adolph Friedländer (1916) Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. C01285.000

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden buitenlandse artiesten en mensen die te zien waren in völkerschauen gedwongen Duitsland te verlaten. Circus Sarrasani paste hierop het programma aan. In december 1914 beleefde het manegestuk Europa in Flammen haar première. In Dresden, de thuisstad van Circus Sarrasani, was het stuk een enorm succes. Sarrasani gebruikte de modernste technologie voor de politieke en militaire scènes, zoals het hof vande tsaar, de Duitse invasie van België (3 augustus – 31 oktober 1914) en de Eerste Slag bij de Mazurische meren (9-14 september 1914). Voor deze laatste scène werd de hele piste onder water gezet.

In 1916 wilde Sarrasani het stuk in Berlijn opvoeren, maar in december van dat jaar verleende de Berlijnse Censuurraad geen toestemming. De raad stelde dat Sarrasani militaire operaties voorafgaand en aan het begin van de Eerste Wereldoorlog te sensationeel voorstelde, wat onrust en bezorgheid bij het publiek tot gevolg kon hebben. 1

1894-1901 Brooks & Duncan

Adolph Friedländer, Affiche Brooks and Duncan (1873), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY10002750

De collectie van het Circumuseum omvat een affiche van het Afro-Amerikaanse duo Billy Brooks en George Duncan. De twee Amerikanen zouden tot in de jaren 1920 in Europa actief zijn geweest. Voor hun komst naar Europa waren zij in de Verenigde Staten onderdeel van een blackface gezelschap.1 Na de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) vormden minstrel shows voor Afro-Amerikanen vrijwel de enige manier om door te breken in de show business. Aanvankelijk konden
zij echter weinig anders dan aan de verwachting van het publiek voldoen en de stereotypes uitbeelden die de kern vormden van de minstrel shows. 2 Wellicht om die reden lijken de getekende scènes op dit affiche van Friedländer uit 1873, sterk op die op het affiche van het duo Forrester en Harding.
Via diverse zoekmachines zijn optredens van Brooks en Duncan te achterhalen. Samen met een derde artiest, Sibbs, traden zij in 1885 op in het Parijs theater Folies Bergère; hetzelfde jaar werd het casino van Reims aangedaan. In de advertenties werden zij aangekondigd als ‘nègres burlesques’. 3

Imp Léon Brière, Affiche ‘Three jolly coons’, Médiathèque de Chaumont A4263.

Uit advertenties in Delpher blijkt dat Brooks en Duncan bijna een decennium later in Nederland optraden, in de jaren 1894-1896, 1899 en 1901. In de Nederlandse advertenties wordt het duo aangekondigd als ‘Neger excentrics’ (1894 en 1899), ‘American Excentrics’ (1895) en ‘Neger pantomime’ (1899). 4

W Hendl, affiche voor Brooks en Duncan voor optredens in Wenen, enkele scènes komen overeen met die op het affiche van Friedländer. Médiathèque de Chaumont , A1053.

ca 1885 Forrest & Harding

In de collectie van het Circusmuseum is een affiche omschreven aan de hand van de namen die er op prijken: Forrest and Harding, met daaraan toegevoegd ‘music-act‘. Uit het affiche wordt de essentie van de shows duidelijk: Forrest en Harding toerden met een minstrel show, ook bekend als blackface.

Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002745

David Ciarlo nam het affiche op in zijn toonaangevende werk Advertising Empire. Vermoedelijk is het door de firma Friedländer vervaardigd rond 1885, toen het Amerikaanse duo Duitsland aandeed. Op de bovenste helft van het affiche zijn de twee mannen min of meer realistisch geportretteerd, Ciarlo suggereert dat dit daarmee duidelijk werd gemaakt dat er geen sprake was van een völkerschau waar Afro-Amerikanen uit het zuiden van de Verenigde Staten werden vertoond. 1 Dit om verwarring zoals bij de Haverly Mastodon Minstrels eerder in de jaren 1880 te voorkomen: het Duitse publiek reageerde toen woedend op het feit dat zij witte mannen in blackface zagen waar zij Afro-Amerikanen hadden verwacht. 2
Ciarlo wijst op de extreme vervorming waarmee Forrest en Harding in de scènes zijn getekend: de grote voeten en dunne benen, de grimassende gezichten, de monden die van rubber lijken.

Overigens zijn de minstrels afgebeeld met banjo’s, een instrument dat sinds de vroegste shows werd gebruikt. De wortels van het instrument liggen echter in West-Afrika, zie hier en hier.

1898 Hagenbeck’s Indien

Adolph Friedländer, Affiche Hagenbeck’s Indien & Hagenbeck’s Ceylon thee, 1895 (of 1898), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002845.

De tempeldanseres op bovenstaand affiche is te zien op meerdere aankondigingen die Adolph Friedländer voor de völkerschauen van Hagenbeck ontwierp. Het affiche werd gemaakt voor een völkerschau in Berlijn. Op de Kurfürstendamm, een grote stadsboulevard, verrezen rondom het ‘Maharaniplatz’ en ‘Trischinapoli Platz’ decors en ‘Indiase’ bouwwerken van meerdere etages. Door de grootschaligheid en het spektakel leek de ‘volkerenshow’ hier te zijn uitgegroeid tot een etnografisch attractiepark. 1

Uit het overzicht van Hilke Thode-Arora blijkt dat de völkerschau in Berlijn plaatsvond in 1898. 2 Dit jaartal stemt overeen met de visuele bronnen in de particuliere Collectie Radauer.

De organisatie van deze völkerschau was in handen van John en Gustav Hagenbeck, twee jongere halfbroers van Carl. John Hagenbeck bezat in Colombo, Sri Lanka, plantages voor thee, rubber en kokosnoten. Op het affiche is de reclame voor ‘Hagenbeck’s Ceylon thee’ minstens net zo prominent als de aankondiging van de völkerschau.3

Tempeldanseres

In de völkerschauen van Hagenbeck traden zogehten bayadères of tempeldanseressen op. Op dit affiche is een danseres afgebeeld en zijn er verwijzingen naar de cultuur van Zuid-India:

Adolph Friedländer, Collectie Circusmuseum, inv.nr. TEY0010000054
  1. koyil, een hindoeïstische tempel in de Zuid-Indiase architectuur.
  2. gopuram, toren boven de toegangspoort van de tempel.
  3. devadasi, danseres. Devadasi betekent letterlijk: dienares van god. Zij voerden in tempels rituelen en dans uit. Daarnaast waren ook danseressen verbonden aan verschillende hoven in Zuid-India. Hun dansvorm stond bekend als sadir, dasi attam of cinna melam.
  4. mayura hasta, handgebaar uit de klassieke Zuid-Indiase dans
  5. bottu, stip aangebracht op het voorhoofd.
  6. matha patti, sieraden voor de middenscheiding en zijkanten van het voorhoofd.
  7. sari.
  8. haarornamenten in de vorm van de maan (links) en de zon (rechts).
  9. lungi, katoenen omslagdoek door mannen gedragen.

Via tussenpersonen rekruteerde Hagenbeck de tempeldanseressen in Tanjore. De stad gold als het culturele centrum van Zuid-India, daar de kunsten grote ondersteuning genoten van de lokale vorsten. Vanwege de emigratiewetten die in India golden, bracht Hagenbeck zijn groep eerst naar Colombo, hoofdstad van Sri Lanka, om vervolgens per boot naar Europa te reizen. 1

Groep Tamils

Adolph Friedländer, Troep Exoten, Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002312

Hoogstwaarschijnlijk is dit affiche gemaakt voor of tijdens één van de völkerschauen van de firma Hagenbeck. De dracht van de mannen is een aanwijzing dat het om Tamils uit Zuid-India of Sria Lanka gaat: zij zijn gekleed in een geruite lungi, een lap katoen die om het middel wordt geslagen. De enige vrouw van het gezelschap, gekleed in een rood-oranje sari, is mogelijk één van de twee mensen met dwerggroei die van 1886-1889 in Hagenbecks völkerschauen te zien waren. Arts en antropoloog Fernand Delisle (1836-1911) legde het paar vast toen zij de Parijse Jardin d’acclimatation aandeden, de foto behoort nu tot de collectie van Musée du Quai Branly. De wat vervaagde foto is hier linksonder te zien. Ook het Museum Volkenkunde te Leiden bezit foto’s van het Indiase paar. De foto hier rechtsonder lijkt meer een ‘portret’ en minder een antropometrische vastlegging dan de foto van Musée du Quai Branly.

Rechts: Portret van een dwergenpaar. Fotograaf: Fernand Delisle, volgens de omschrijving gemaakt tijdens de Exhibition etnografique Cinghalais, 1883. Collectie: Musée du Quai Branly, Parijs, inv. nr. PP0019226
Links: Portret van een Singalese man en vrouw met dwerggroei, 1886. Fotograaf: C. von Rainer. Collectie Museum Volkenkunde, Leiden, inv.nr. RV – A153-8.

1935 Long Tack Sam

Adolph Friedländer, affiche voor Long Tack Sam (1930), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. 10000285.

De collectie van het Circusmuseum omvat een affiche van ‘Long Tack Sam’, vervaardigd door de firma Friedländer.
Long Tack Sam was de artiestennaam van de in China geboren Lung Te Shan (1884-1961). 1 Het Smithsonian Instite in de Verenigde Staten kocht eenzelfde affiche van Friedländer aan, het belang van de artiest omschreven ze in een blog: Long Tack Sam’s Magical Fame and Mysterious Vanishing Act. De achterkleindochter van de ooit wereldberoemde entertainer maakte een graphic novel en documentaire, zowel de trailer als de gehele film zijn te zien op Youtube.

Trailer documentaire Ann Marie Fleming, over haar wereldberoemde overgrootvader.

Long Tack Sam was niet in Nederland te zien, maar deed in 1935 wel Nederlands-Indië aan. Van half augustus tot half september was een revue met twintig artiesten te zien in het Sampoerna theater van Soerabaja.

Delpher – Soerabaijasch Handelsblad, 16 augustus 1935. De aankondigingen in de dagbladen waren voorzien van foto’s van het gezelschap, hier is Long tack Sam afgebeeld met zijn twee dochters.
Adolph Friedländer, affiche voor Mi-Na en Nee-Sa Long (1930), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. 10001196.

1904 ‘Tunesiërs’

Adolph Friedländer, Collectie Circusmuseum, inv.nr. TEY00100080

Dit affiche uit de collectie van het Circusmuseum is een zogeheten ‘Lagerplakat’. Bij het drukken werd er tekst voor ruimte open gelaten zodat potentiële kopers hier de plaatsen of data van de völkerschau konden vermelden. In het stadsarchief van München is een dergelijke variant van het affiche opgenomen.

Tunis in München- Die Tunesen auf dem Karawanenplatz. Stadtarchiv München, inv.nr: DE-1992-PL-12709 .

Impresario Carl Gabriel toonde tijdens het Oktoberfestvan 1904 een völkerschau die uit Tunesiërs zou bestaan. Gabriel bracht op het Oktoberfest onder meer een ‘Bedoeienen Karavaan'(1901 en 1912) en völkerschauen met mensen uit Samoa (1910), India (1925, in samenwerking met John Hagenbeck), Afrika (1926 en 1930).