1885 North Queenslanders

aantal personen: 3 volwassenen, 1 kind
in Nederland: 29 augustus – 10 september 1885
impresario: R.A. Cunningham

Julian Schaar, Jenny, haar zoon Toby, haar echtgenoot Toby en Billy, Dusseldorf 1885. Deze vier groepsleden arriveerden in Nederland. Collectie National Portrait Gallery, Canberra, inv.nr. 2013.80

Roslyn Poignant (1927-2019) verrichtte tien jaar onderzoek naar drie groepen die werden vertoond door de Amerikaan R.A. Cunningham. Dit betrof een groep mannen uit Samoa en twee groepen uit het Australische North Queensland. Ze raadpleegde meer dan honderdvijftig krantentitels in negentien landen om in kaart te brengen waar de groepen werden vertoond. De meeste informatie kon zij achterhalen over de eerste groep van negen mensen die Cunningham vertoonde in de jaren 1883-1887. Aanvankelijk trad Cunningham op als werver voor Phineas T. Barnum, die de groep exposeerde in zijn rondtrekkende ‘Ethnological congress of Strange Savage Tribes.’

The Strobridge Lithographing Company, Barnum & London: Australian Cannibal Boomerang Throwers (1883), Collectie Ringling Museum, Tibbals Circus Collection, inv.nr. ht2004524.

Barnum presenteerde de Australiërs als ‘wilden’ en ‘kannibalen’, deze meest transgressieve vorm van menselijk gedrag verklaarde Poingant als een ideologische troop, een krachtige fantasie binnen de cultuur van het kolonialisme. 1 Het affiche toont een groep bloeddorstige mannen, grotendeels naakt in een rok van veren, die pijlen en de boemerang als dodelijke wapens hanteren.
Poingant veronderstelde dat Cunningham zelfstandig agent werd om niet langer te hoeven delen in de winsten die de groep opleverde. In 1884 maakten zij de oversteek naar Europa en in april vond de eerste vertoning plaats in het Crystal Palace te London. De collecties van het Rijksmuseum en het Nederlands Fotomuseum bevatten portretten die tijdens deze vertoning zijn gemaakt door Negretti & Zambra, een firma die gevestigd was in de zuidzijde van het Crystal Palace.2

Negretti en Zambra, Jenny, haar zoon Toby en Billy, tijdens de vertoning in het Crystal Palace te Londen. Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-00-1002.

Door foto’s te combineren met etnografische metingen en verslagen, wist Poignant de herkomst, namen en leeftijd van de geportretteerden vast te stellen. Links op de foto staat een vrouw van tussen de dertig en veertig jaar, naar alle waarschijnlijkheid heette zij Yorembera, naast haar zit Telegorah, zeven jaar oud. Moeder en zoon waren afkomstig van de Palm eilanden. 3 Naast de jongen staat Warschinbin, een man van rond de dertig en, zoals Poignant consequent schreef, ‘verwijderd’ van Hutchinbrook eiland. Zij hanteerde deze term omdat twee mannen van de groep voor vertrek uit Sydney op de vlucht waren geslagen voor Cunningham en niet met zekerheid kon worden vastgesteld in hoeverre de negen mensen vrijwillig naar de Verenigde Staten waren afgereisd. 4

Negretti & Zambra, van links naar rechts: Billy, Jenny met haar zoon Toby en haar echtgenoot Toby, Sussy en Jimmy. Voor de groep, half liggend, Bob, tijdens de vertoning in het Crystal Palace te Londen. Collectie Nederlands Fotomuseum, inv.nr. WMR-908418-2

Op het groepsportret in de collectie van het Nederlands Fotomuseum staat de jonge Telegorah in het midden. Hij wordt geflankeerd door zijn moeder, met over elkaar geslagen armen, én zijn vader Corgarah –met veertig jaar het oudste groepslid.

Poignant stelde dat de Britse portretten tijdens de mensvertoningen verkocht werden, tezamen met programmaboekjes en affiches vormden ze onderdeel van de ‘economie van exploitatie’ 5 Tezelfdertijd, betoogde Poignant, stelden de portretten de New Queenslanders in staat een afzonderlijke identiteit te construeren. Tijdens de vertoningen gingen zij gekleed in showkostuums van koeienhuiden en hanteerden zij onderling Engelse namen. Poignant interpreteerde dit als een strategie om het desintegrerende effect van hun objectificatie te weerstaan. 6 Deze strategie betekende voor haar bovenal een uiting van handelingsmacht door de geëxposeerde individuen:
‘In the course of their travels they were regarded as objects of curiosity […] But the Aboriginal travellers, so suddenly thrown together and transported to an unimagined world, were the curious ones, and they exercised their curiosity in order to communicate, experience and survive as show people- professional ‘savages’. 7

Op het moment dat zij in het Crystal Palace werden vastgelegd betreurden zij twee doden: de mannen stierven in Amerika tijdens een tournee langs freak shows en rariteitenkabinetten. Een van de overledenen was Dianarah – door Cunningham ‘Tambo’ genoemd, echtgenoot van Tagarah, ofwel Sussy.
Na een verblijf in Brussel trok Cunningham naar Duitsland, waar de groep drie maanden werd vertoond in Castans’s Panopticum.

Jenny en Sussy weigerden zich te ontkleden voor het antropometrisch onderzoek van Rudolf Virchow, maar fotograaf Carl Gunther wist hen waarschijnlijk te overreden 8 Het Nederlands Fotomuseum heeft dan ook twee portretten van Sussy in de collectie (WMR-908416 en WMR-906309-2). Zij overleed ongeveer een jaar nadat de foto’s waren gemaakt, in Sonnborn. Orinibin, ‘Bob’, en Tinendal, ‘Jimmy’, waren reeds bezweken in Chemnitz en Darmstadt.
In Frankfurt werd de groep een publiekstrekker in de dierentuin, het merendeel van de Duitse vertoningen vond echter plaats in kleinere gelegenheden als restaurants. Dit patroon leek te worden voortgezet toen de groep in augustus 1885 in Nederland arriveerde. Op basis van Delpher en archieven.nl zijn vooralsnog uitsluitend vertoningen in Rotterdam vast te stellen.

‘Male and Female cannibales’, In 1885 werd de groep van vier North Queenslanders geëxposeerd in de dierentuin van Franfurt am Main, collectie Historisches Museum Frankfurt am Main.

Uit een bericht in het Rotterdamsch Nieuwsblad blijkt dat de komst van de groep werd aangekondigd op affiches:
‘Het tafereel stelt niet meer of minder voor een troep wilden, ijzelijk toegatakeld, die bezig zijn eenige blanken dood te slaan, te branden en op te peuzelen. Een paar van die zwarten knagen met welbehagelijke blikken aan een stuk dat wel wat weg heeft van een menschenarm, terwijl het doodshoofd van een wiens lichaam reeds zijn weg gevonden heeft naar de magen der wilden, aan hunne voeten ligt. […] Men verzekert van verschillende zijden dat het de echte onvervalschte kannibalen uit Australië zijn ; – nu ze zijn er leelijk genoeg voor.’ 9

Advertentie Delftsche Courant (9 september 1885).

Na Nederland trok de groep naar Frankrijk, enige dagen voor aanvang van de vertoning in de Folies Bergères overleed Corgarah, ofwel Toby. Op de foto’s die gemaakt zijn in Parijs zijn Jenny, nu weduwe, haar zoon en Billy te zien. Poignant ontwaarde kleine tekenen van verzet: ‘The body language – Billy’s tilt of the head, Toby’s apparent dejection, Jenney’s tensely raised shoulder and folded hands – conveys an air of resistance to the proceedings’.10

Poignant had toegang tot een uitsnede, in de collectie van Musée du Quai Branly zijn nu de onbewerkte foto’s digitaal beschikbaar. Zichtbaar wordt dat het drietal in een fotostudio staat, pal naast het achterdoek met de pastorale beschildering staat een statief, in de linker en rechter bovenhoek is wit doek bevestigd en het gras waar zij op staan blijkt een verhoging te zijn. Behalve het beeld waarin Poignant weerstand meende te zien, werden Billy en Jenny staand vastgelegd met kleine Toby liggend voor hen, rustend op een elleboog: eenzelfde houding als de overleden Bob twee jaar eerder. De Franse collectie omvat eveneens antropometrische portretten: voor- en zijaanzicht en in het geval van Jenny, zowel gekleed als met ontbloot bovenlichaam.

Poignant slaagde er in het lichaam van de eerste overledene Dianarah, of ‘Tambo’, van de Verenigde Staten naar North Queensland te repatriëren nadat zijn gebalsemde lichaam tot in de twintigste eeuw een attractie vormde: ‘His ‘return’ did more than add tot he knowable history of these travellers; it restored their humanity and their identities.’ 11 Wellicht zijn er meer sporen dan Poignant ondanks haar vasthoudende en nauwgezette onderzoek kon bevroeden. In 2019 bevestigden Katharine Johnson en Hilke Thode-Arora dat in Castans Ponopticum gipsen afgietsels van de groep waren gemaakte die onder meer in een museaal depot in Dresden waren opgeslagen. 12


German religious knowledge on South Asia – Conference

On behalf of dr. Isabella Schwaderer (Faculty of Philosophy, Erfurt University) , I would like to share the announcement of the conference From Universalism to Ethnopathos – Religious Knowledge in the Colonial Encounter between India and Germany (January 16-17, 2021). Due to COVID-19, the meeting will be entirely online. For the program, abstracts and contributions: https://indiagermany.hypotheses.org/ Everyone is cordially invited, please register in advance by sending an email to: isabella.schwaderer [@] uni-erfurt.de

1889-1891 Samoans

Ernst Thiele, men from the island Tutuila, Samoa, during a human exhibition in Germany (1890). Collection Nederlands Fotomuseum, Rotterdam, id.nr. WMR-908477-1.

Roslyn Poignant (1927 – 2019) 1 focused in her book Professional Savages on groups from North Queensland, Australia, who were exhibited by R.A Cunningham in the 1880s and 1890s. She briefly discussed the group of men who were recruited by Cunningham on the Samoan island of Tutuila. 2 Poignant didn’t include visual materials of this group in her work. Nevertheless, based on her description, it seems plausible that the photograph in the collection of the Nederlands Fotomuseum is a portrait of seven of the nine Samoans.

According to Poignant, impresario Cunningham arrived in Samoa in June 1889, a time when the United States, Great Britain as well as Germany claimed territory in the archipelago. Cunningham intended to exhibit the group for three years, starting in San Francisco. 3
The Washington Post spoke of ‘Samoan Warriors’ : ‘who are brought here to give exhibitions of war dancing and club and knife throwing. Their names are Manogi, Leasodso, Atofau, Foi, Mua, Lealofy, Letungaifo, Tu and Tasita. They will appear in their native costume, which consists of a piece of lappa cloth wound around the loins, a wreath of flowers around their necks and a string of vegetables around their heads.
They do not like San Francisco. They say it is too cold, and they already want to get back to Samoa.
4

In October 1889 Cunningham brought the group to New York, where the New York Tribune called Lealofy ‘the poet of the party, who composes impromptu songs on any occasion. […] The warriors yesterday seated themselves in a row on the floor and took up a war song, started by the poet, to the music of two mulberry sticks. They kept perfect time both in their singing and in the movement of their bodies. 5

Three of the six men described by Virchow, during their stay in Berlin (1890). Source: Zeitschrift für Ethnologie 22 (1890), 385.

The group travelled by ship from New York to Germany. In Berlin, the group was observed by ethnologist Rudolf Virchow (1821-1902). He remarked that ‘ihr Tanz von dem uns geläufigen wesentlich abweicht, indem er nich sowohl mit den Beinen, als mit den Armen un dem Rumpf getanzt wird. Die Samoaner sitzen mit gekreuzten oder ausgepreizten Beinen. flach auf dem Boden in einer langen Reihe und machen dann symmetrische Bewegungen, anfangs langsam, später hastig und gewaltsam, gegen einander.6

The photograph of 1890 shows seven men, accordingly, Virchow mentioned that seven Samoans performed in the Flora of Charlottenburg, a luxurious entertainment establishment in Berlin, beside the river Spree. Besides a stage the Flora consisted of a park and palm garden. However, only six men are included in Virchow’s table of physical measurements. 7 During his anthropometric research, Virchow noted a ‘vortrefflichlen Gesundheitszustande. Ihre Körper sind stark und wohl gebildet, ihr Ernährungszustand gut, ohne zur Fettbildung zu neigen, ihre Leistungen von einer überraschenden Energie.8

Although Virchow praised their outstanding health, Poignant found German newspaper articles reporting two men deceased before the group reached Berlin. Atofau died in Belgium, followed a few days later by Tu when the group stayed in Cologne.
Poignant wrote that Cunningham returned to the United States with five Samoans, where he left the men with another impresario.9 During the continuation of the tour in the winter of 1890-1891, Letungaifo died. His body was embalmed by the local funeral home and put on display as a curiosity. Manogi, Tasita, Mua and Foi were left on the streets of New York, where a journalist reported about them. City officials funded their return trip to Samoa. Manogi died en route and was buried in the United States. Only Tasita, Mua and Foi returned to Tutuila, Samoa. 10


1907-1922 Four Black diamonds

Links: Affiche Adolph Friedländer (1909), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002879.
Rechts: Foto, gepubliceerd in Bühne und Sport 6/14 (1906), achterhaald door onderzoeker Rainer Lotz.

Over deze groep is weinig informatie te vinden. Onderzoeker Rainer Lotz is gespecialiseerd in Afro-Amerikaanse artiesten die aan het begin van de twintigste eeuw in Europa optraden. Hij stelt dat de ‘Four Black Diamonds’ afkomstig waren uit San Fansisco en rond 1905 naar Europa kwamen – het is niet duidelijk of dan wel wanneer zij terugkeerden naar de Verenigde Staten. Evenmin is met zekerheid vast te stellen welke artiesten deel uitmaakten van de groep, van hun persoonlijke levensloop is dan ook niets bekend. Op basis van advertenties en recensies concludeerde Lotz dat de groep groot succes had met liederen die waren gebaseerd op folklore uit de Alpen, die zij ten gehore brachten in zogeheten ‘lederhosen’.
Lotz wist te achterhalen dat de groep in 1909, 1912 optrad in het Scala theater in Den Haag en in 1919 Amsterdam aandeed. 1
Uit Delpher blijkt dat zij vaker in Nederland hebben opgetreden. Het volgende lijstje geeft data weer waarop in een advertentie de ‘4 Black diamonds’ werden aangekondigd.

AdvertentieLocatieStad
18-05-1907CircusgebouwRotterdam
6-11-1909ScalaDen Haag
17-04-1912ScalaDen Haag
16-01-1914Variété FloraAmsterdam
17-10-1919ScalaDen Haag
31-10-1919CasinoRotterdam
22-11-1919Centraal TheaterAmsterdam
12-12-1919EdenAmsterdam
24-02-1920TivoliUtrecht
15-03-1920EdenAmsterdam
03-06-1922De UrquellDen Haag
Foto, Nordische Kunstanstalt Enst Schmidt&co, Lübeck (1900). Collectie Stadtmuseum Berlin, inv.nr. SM 2014-2618.

Lotz schrijft dat de groep gedurende de Eerste Wereldoorlog de optredens voortzette in het Verenigd Koninkrijk en rond 1922 uit elkaar ging, een datum die overeenkomt met hun laatste optreden in Nederland.

ca 1885 Forrest & Harding

In de collectie van het Circusmuseum is een affiche omschreven aan de hand van de namen die er op prijken: Forrest and Harding, met daaraan toegevoegd ‘music-act‘. Uit het affiche wordt de essentie van de shows duidelijk: Forrest en Harding toerden met een minstrel show, ook bekend als blackface.

Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002745

David Ciarlo nam het affiche op in zijn toonaangevende werk Advertising Empire. Vermoedelijk is het door de firma Friedländer vervaardigd rond 1885, toen het Amerikaanse duo Duitsland aandeed. Op de bovenste helft van het affiche zijn de twee mannen min of meer realistisch geportretteerd, Ciarlo suggereert dat dit daarmee duidelijk werd gemaakt dat er geen sprake was van een völkerschau waar Afro-Amerikanen uit het zuiden van de Verenigde Staten werden vertoond. 1 Dit om verwarring zoals bij de Haverly Mastodon Minstrels eerder in de jaren 1880 te voorkomen: het Duitse publiek reageerde toen woedend op het feit dat zij witte mannen in blackface zagen waar zij Afro-Amerikanen hadden verwacht. 2
Ciarlo wijst op de extreme vervorming waarmee Forrest en Harding in de scènes zijn getekend: de grote voeten en dunne benen, de grimassende gezichten, de monden die van rubber lijken.

Overigens zijn de minstrels afgebeeld met banjo’s, een instrument dat sinds de vroegste shows werd gebruikt. De wortels van het instrument liggen echter in West-Afrika, zie hier en hier.

Anton de Kom in educatief programma Neuengamme

De uitgave Verflechtungen is lesmateriaal voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs en volwassenen, samengesteld door KZ-Gedenkstätte Neuengamme en de universiteiten van Augsburg en Hamburg. De uitgave bestrijkt een breed terrein. Op het voorblad van Verflechtungen is op de foto rechtsboven is het monument voor Anton De Kom in Amsterdam te zien, linksonder is zijn portret opgenomen. Download het boek hier.
Graag dank ik mevr.dr. Susann Lewerenz , een van de auteurs, voor het mogen gebruiken van de foto van het tentoonstellingspaneel met Anton de Kom.

Op de blog Caraïbisch Uitzicht van de Werkgroep Caraïbische letteren, is mijn volledige tekst over Verflechtungen geplaatst.



1898 Hagenbeck’s Indien

Adolph Friedländer, Affiche Hagenbeck’s Indien & Hagenbeck’s Ceylon thee, 1895 (of 1898), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002845.

De tempeldanseres op bovenstaand affiche is te zien op meerdere aankondigingen die Adolph Friedländer voor de völkerschauen van Hagenbeck ontwierp. Het affiche werd gemaakt voor een völkerschau in Berlijn. Op de Kurfürstendamm, een grote stadsboulevard, verrezen rondom het ‘Maharaniplatz’ en ‘Trischinapoli Platz’ decors en ‘Indiase’ bouwwerken van meerdere etages. Door de grootschaligheid en het spektakel leek de ‘volkerenshow’ hier te zijn uitgegroeid tot een etnografisch attractiepark. 1

Uit het overzicht van Hilke Thode-Arora blijkt dat de völkerschau in Berlijn plaatsvond in 1898. 2 Dit jaartal stemt overeen met de visuele bronnen in de particuliere Collectie Radauer.

De organisatie van deze völkerschau was in handen van John en Gustav Hagenbeck, twee jongere halfbroers van Carl. John Hagenbeck bezat in Colombo, Sri Lanka, plantages voor thee, rubber en kokosnoten. Op het affiche is de reclame voor ‘Hagenbeck’s Ceylon thee’ minstens net zo prominent als de aankondiging van de völkerschau.3

1904 ‘Tunesiërs’

Adolph Friedländer, Collectie Circusmuseum, inv.nr. TEY00100080

Dit affiche uit de collectie van het Circusmuseum is een zogeheten ‘Lagerplakat’. Bij het drukken werd er tekst voor ruimte open gelaten zodat potentiële kopers hier de plaatsen of data van de völkerschau konden vermelden. In het stadsarchief van München is een dergelijke variant van het affiche opgenomen.

Tunis in München- Die Tunesen auf dem Karawanenplatz. Stadtarchiv München, inv.nr: DE-1992-PL-12709 .

Impresario Carl Gabriel toonde tijdens het Oktoberfestvan 1904 een völkerschau die uit Tunesiërs zou bestaan. Gabriel bracht op het Oktoberfest onder meer een ‘Bedoeienen Karavaan'(1901 en 1912) en völkerschauen met mensen uit Samoa (1910), India (1925, in samenwerking met John Hagenbeck), Afrika (1926 en 1930).

1901 ‘Beduinen-Lager Karawane’

Beduinenlager-Karawane mit 70 Personen, Bazar mit Handwerkern, arabisches Cafe, Szenen aus der Wüste, Reitervorstellungen, Stadtarchiv Muenchen, inv.nr.: DE-1992-PL-12708.

Bij dit affiche uit het stadsarchief van München is geen jaartal aangegeven, maar het gaat naar alle waarschijnlijkheid om een völkerschau tijdens het Oktoberfest, georganiseerd door Carl Gabriel (1857-1931). Het eerste Oktoberfest werd in 1810 gehouden, ter viering van het huwelijk van Lodewijk I van Beieren met Theresia van Saksen-Hildburghausen. Carl Hagenbeck toonde hier Samí uit Lapland (1876) en een ‘Nubische karavaan'(1879).
Vanaf het begin van de twintigste eeuw toonde ook impresario Gabriel tijdens het Oktoberfest niet-westerse groepen. De völkerschauen vormden voor hem een nevenactiviteit. Hij opende meer wassenbeeldenkabinetten in München, Düsseldorf en Bochum. Zijn twee bioscopen (1906 en 1913)) en theater (1910) in München bestaan nog altijd. 1

Gabriel zou twee jaar hebben gewerkt voor het decor van de ‘Beduinen Karawane’ uit 1901. Op de foto wordt duidelijk hoe bepalend spektakel en fantasie hierin waren.

Ruiters voor een Egyptisch decor op de Theresienwiese, Oktoberfest, 1901. Suddeutsche Zeitung, Scherl/SZ Photo .

1913 Aus Unseren Kolonien

Adolph Friedländer (1913) Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010001341.

Rond 1900 vormden ‘pantomimes’ of Manege Schaustücke’ een hoogtepunt in Duitse circusvoorstellingen. Met name Circus Busch profileerde zich met deze intermezzo’s tussen de clowns, koorddansers, acrobaten en andere artiesten. De pantomimes waren minstens even spectaculair: acrobatiek werd afgewisseld met massascènes waarbij zowel mensen als dieren betrokken waren, gevolgd door dans en krijgerstaferelen. De pantomimes waren gebaseerd op historische gebeurtenissen of klassiekers uit de literatuur of het toneel. 1

Vanaf het begin van de twintigste eeuw speelden de stukken in op de actualiteit; ontwikkelingen op het wereldtoneel waren voor een toenemend aantal mensen te volgen via nieuwsbladen en tijdschriften. 2
De koloniale politiek van het Duitse Keizerrijk (1871-1918) vond zo zijn weg naar de piste. In hetzelfde jaar waarin de volkerenmoord op de Herero plaatsvond (1904) bracht Circus Busch de pantomime Sud-West-Afrika. Het manegestuk Aus Unseren Kolonien (1913) diende ter meerdere eer en glorie van Duitse zendelingen. Het programmaboekje roemde hun werk:

‘Opfermutige sind es, die sich des grossen Werkes der Zivilisation in Afrika annehmen! Bewundernswert ist die Selbstlosigkeit, mit der sie sich ihrer Aufgabe widmen [..]. ‘Völkerschaften, namentlich im inneren des Landes sind von ungezähmter Wildheit und voll Raublust’ […] 3

Onderdeel van de manegestukken was het dresseren van roofdieren – het temmen van het wilde dier werd zo een metafoor voor het onderwerpen van de koloniale ‘Eingeborene’ (‘inlander’). Wellicht om die reden tonen de twee affiches uit de collectie van het Circusmuseum met name geweld.

Adolph Friedländer (1913), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010001340.