1858 Lucknow

Ever since cameras were invented in 1839, photography has kept company with death.
Susan Sontag, Regarding the pain of Others (2003).

Een groot aantal werken van de fotograaf Felice Beato (1832-1909) is te zien in gedigitaliseerde collecties. Het Victoria and Albert Museum en het J. Paul Getty Museum plaatsten respectievelijk achthonderd en duizend werken op de eigen website en Google Arts & Culture. In dit blogbericht komen enkele foto’s aan de orde die Beato in Lucknow maakte, na de beëindiging van de Indiase Opstand (1857-1858).

Felice Beato, Panorama of Lucknow: View of Devastation Wrought by Lucknow Massacre., 1858. Eerste deel van een panorama bestaande uit zes afzonderlijke foto’s. Collectie J. Paul Getty Museum, Los Angeles, inv.nr. 84.XO.1168.1.1.

Lucknow was de hoofdstad van het vorstendom Awadh (1722-1856). Historici beschouwen de Britse annexatie van Awadh in 1856, met de gedwongen abdicatie van koning Wajid Ali Shah, als een beslissende factor in het uitbreken van de Indiase opstand. Rudrangshu Mukherjee benadrukt dat de annexatie een radicale breuk forceerde in de verhouding tussen aristocratische grootgrondbezitters (talukdars) en de landbouwers die hun grond bewerkten. De talukdars genoten groot aanzien in de traditionele orde – die niet vrij was van paternalisme, uitbuiting en corruptie. Niettemin, zo schrijft Mukherjee, deelden grondbezitters en boeren gemeenschappelijke belangen en was er een wederzijdse afhankelijkheid.1

Direct na de annexatie voerden de Britten een systeem in voor de afdracht van de landopbrengsten. Enerzijds werd het percentage grond dat in handen was van de talukdars gehalveerd, anderzijds stonden boeren niet langer een gedeelte van de graanoogst af maar werd voor hen een strikt stelsel van monetaire belastingen ingevoerd. Als gevolg werd het onmogelijk na een mislukte oogst de schade met het gehele dorp te dragen, noch kon de talukdar bescherming bieden in gevallen van ziekte, overlijden of huwelijk. 2
Mukherjee stelt dat de talukdars zich aansloten bij de opstandige soldaten (sepoys), waarvan een groot deel uit Awadh afkomstig was. De talukdars organiseerden de logistiek van de militaire aanvallen, financierden wapens en ammunitie en rekruteerden onderdanen en boeren om de rangen van de sepoys te versterken.3

Tijdens de opstand werd Lucknow van mei tot november 1857 belegerd door sepoys en hun medestanders. De ontzetting van de stad begon met de bestorming van Sikander Bagh, een van de vorstelijke verblijven, waarbij rond de tweeduizend Indiase soldaten werden gedood. Beato arriveerde vierenhalve maand na de gewelddadigheden in Lucknow en maakte 56 foto’s in de stad.

In haar invloedrijke ‘Regarding the pain of Others’ omschreef Susan Sontag Beato’s foto van de binnenplaats van Sikander Bagh als

A picture of a desolate site where a great deal of dying had indeed taken place, […] one of the first photographic depictions of the horrific in war. Beato constructed the ruin as an unburial ground, stationing some natives by two pillars in the rear and distributing human bones about the courtyard.4

Felice Beato, Sikandrabagh, ca. 1858. Collectie J. paul getty Museum, Los Angeles, inv.nr. 84.XO.1168.6.

Andere auteurs zijn dieper ingegaan op de betekenis van de elementen op de foto. Volgens Bowen nam Beato het gezichtspunt van de Britse soldaten in. De foto van het exterieur van Sikander Bagh suggereert het begin van de overwinning. Door de manshoge kraters in de beschoten muren konden de Britse troepen de binnenplaats bereiken. De foto van de binnenplaats symboliseerde in het Britse perspectief verovering, afstraffing en verdiende vernedering. 5

Felice Beato, Sikandrahbagh After Slaughter of the Rebels by the 93rd Highlanders of 4th Panjal Native Infantry, 1858. Collectie J.Paul Getty Museum, Los Angeles, inv.nr. 84.XO.1168.7

Architectuurhistoricus Khorakiwala wijst op de dominantie van de ruïne in het beeld. Het gehele kader van de foto wordt gevuld door restanten van de paleismuren. De blik van de toeschouwer wordt er als het ware door ingeperkt, gelijk de soldaten die werden ingesloten alvorens te worden gedood. 6 Daarmee wordt de blik van de toeschouwer naar de voorgrond van de foto gedwongen. Op het eerste gezicht lijkt dit een echo van de achtergrond. De arabesken op het timpaan en het fries van het paleis zijn onherkenbaar beschadigd, de binnenplaats lijkt bezaaid met brokstukken. Wanneer het oog er langer op rust blijken het echter menselijke resten: rechts op de voorgrond is een vrijwel intact skelet te zien.

Khorakiwala vat Beato’s centreren van de ruïne op als een voortzetting van negentiende-eeuwse Romantische schilderkunst. Een ruïne in het Engelse landschap symboliseerde de macht van de natuur over menselijke voortbrengselen, als reactie op de overmoed van Industriële Revolutie. Beato legde met Sikanderbagh een koloniale ruïne vast, betoogt Khorikawala. De afbrokkelende structuur van het vorstelijk onderkomen symboliseerde het verval van een ooit glorieuze cultuur, die te gronde ging aan decadentie. 7

Wilcock achterhaalde een juridische bron waaruit blijkt dat de Britse autoriteiten Beato toestemming verleenden om tijdelijke graven met stoffelijke overschotten van soldaten te openen. De auteur acht het onwaarschijnlijk dat Beato zelf de lichaamsresten opgroef en over de binnenplaats van het paleis verspreidde. Het waren Indiërs die hiertoe de opdracht kregen. Deze mannen konden nog aanwezig zijn toen Beato fotografeerde; buiten het kader in afwachting van een volgende opdracht. Evenzeer is het mogelijk dat de vier mannen die op de foto te zien zijn eerst de botten verzamelden, deze vervolgens naar de esthetiek van Beato arrangeerden en tenslotte poseerden te midden van de lijkresten. 8

Felice Beato, Execution of Native Mutineers, ca. 1858. Collectie Victoria and Albert Museum, Londen, inv.nr. 3219-1955.

Het J. Paul Getty Museum hanteert voor de foto van twee ter dood veroordeelden het onderschrift ‘Two Sepoys of the 31st Native Infantry, Who Were Hanged at Lucknow, 1857’.9 Het jaartal van de omschrijving lijkt niet te kloppen, evenmin is zeker of de foto daadwerkelijk in Lucknow gemaakt is. Het Victoria and Albert Museum bezit eenzelfde foto 10 al zijn op de achtergrond nog een klein meer aan de linkerzijde en heuvels rechts in de verte te onderscheiden. De foto van het Getty Museum lijkt een nabewerking waarbij de achtergrond geheel bestaat uit een onbewolkte lucht.

Willcock maakt aannemelijk dat Beato het beeld al manipuleerde tijdens de totstandkoming ervan. Hij roept in herinnering dat fotografie in de negentiende eeuw een bewerkelijke onderneming was, met belichtingstijden, glazen platen, vloeistoffen, camera’s en bedienden om de apparatuur te hanteren. Een ooggetuige van de executie noteerde in zijn dagboek dat Beato op enkele meters van het schavot zijn voorbereidingen trof, in de laatste momenten dat de twee Indiërs nog in leven waren. Direct nadat de ophanging was voltrokken, rende Beato naar de bungelende lichamen en hield deze bij de voeten om de beweging te beëindigen. 11 In het verlengde hiervan kan Beato ook de omstanders opdracht gegeven hebben langdurig eenzelfde houding aan te nemen. Willcock concludeert:

It is in moments such as these that we can see the camera approximating the threat of the cannon: when it worked to freeze Indian bodies in relation to acts of violence, to fix their attention on punitive spectacles, to refuse to allow disturbing slaughters to be part of a forgotten past.12


German religious knowledge on South Asia – Conference

On behalf of dr. Isabella Schwaderer (Faculty of Philosophy, Erfurt University) , I would like to share the announcement of the conference From Universalism to Ethnopathos – Religious Knowledge in the Colonial Encounter between India and Germany (January 16-17, 2021). Due to COVID-19, the meeting will be entirely online. For the program, abstracts and contributions: https://indiagermany.hypotheses.org/ Everyone is cordially invited, please register in advance by sending an email to: isabella.schwaderer [@] uni-erfurt.de

1858-1949 Monument Cawnpore

De collectie van het Rijksmuseum omvat een drietal foto’s van Samuel Bourne waarop een rivieroever en een gedenkteken centraal lijken te staan. Bourne maakte de foto’s in 1865 om plaatsen van herinnering in Cawnpore (nu: Kanupur) vast te leggen. Hier werden in de beginfase van Indiase Opstand (1857-1858) gewelddadig Britse mannen, vrouwen en kinderen gedood.

Soldaat uit de East India Company Bengal Army. De Indiase soldaten stonden bekend als sipahi, door de Britten sepoy genoemd. Collectie Rijksmuseum, inv.nr. NG-2010-48.

De Indiase Opstand (1857-1858)was gericht tegen het gezag van de Britse East India Company (EIC). Tegen 1850 opereerde de EIC niet langer als een handelscompagnie, maar richtte het zich volledig op het civiel en militair bestuur van India.1 De opstand begon in mei 1857 in het kantonnement Meerut (in Noord-India) en werd bijna een jaar later neergeslagen; na de overkomst van 35,000 manschappen uit Groot-Brittannië. 2
In de geschiedschrijving is de Opstand tot in de twintigste eeuw aangeduid als de ‘sepoy muiterij’. Het leger van de EIC leunde vanaf de achttiende eeuw sterk op Indiase sipahi (soldaten) in hun oorlogsvoering tegen de Fransen en Indiase vorsten.3 De muiterij in Meerut zou zij voortgekomen uit de weerzin van zowel Hindoeïstische als Islamitische soldaten in het Bengaals leger van de EIC tegen het gebruik van dierlijk vet voor de kogels van de nieuw ingevoerde Enfield geweren. 4

Historicus Biswamoy Pati (1956-2017) kenschetste in zijn inleiding op een bundel over de Indiase Opstand, het centraal stellen van de muiterij van de sepoys, als een ‘typisch koloniaal perspectief.’ 5 De voorstelling dat één groep in opstand kwam en dit beperkt bleef tot Noord-India, was immers gunstig voor de koloniale machthebber. Roy haalde in zijn introductie studies aan waaruit bleek dat brede lagen van de bevolking in 1857 in verzet kwamen; van grootgrondbezitters die zich keerden tegen belastinghervormingen tot landbouwers en adivasi (inheemse gemeenschappen). Daarbij strekten opstanden van uiteenlopende groepen zich uit over geheel India, tot in het uiterste zuiden. Bovendien was de uitbarsting in 1857 een voortzetting van hevig verzet sinds de eerste helft van de negentiende eeuw tegen de toenemende macht van de East India Company.6
Pati noemde als element van het koloniaal perspectief de nadruk op de ‘barbaarse aard’ van de opstandelingen. 7 Dit aspect trad op de voorgrond in de herinneringspolitiek rondom de gebeurtenissen in Cawnpore.

Samuel Bourne, De Satti Chaura Ghat, Cawnpore. Oever van de rivier Ganges waar Britse mannen werden gedood. (1865). Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-F80455

Waterput

Een van de noordelijke steden waar de bevolking en soldaten in opstand kwamen was Cawnpore. Indiase handelaren en geldschieters die gefortuneerd waren door zaken te doen met de Britten, werden tot doelwit. Britse burgers en militairen zochten in juni 1857 hun toevlucht in versterkte barakken aan de zuidelijke rand van de stand. Na drie weken van beschietingen garandeerde de lokale leider van de Opstand, Nana Sahib, de groep een veilige overtocht met vier boten over de rivier Ganges. Echter, op het moment dat de Britten bij de rivieroever Satti Chaura Ghat aan boord gingen, werden zij door de opstandelingen onder vuur genomen. Mannen die dit overleefden werden alsnog in de rivier, of later aan land, ter door gebracht.
De vrouwen en kinderen werden naar een afgelegen villa in Cawnpore gebracht. Rebellerende soldaten weigerden hen te doden. Deze daad werd verricht door ingehuurde slagers, die de meer dan tweehonderd lichamen achterlieten in een waterput.8
In zijn beschrijving van de gebeurtenissen merkt Mukherjee op dat geweld een ‘essentieel component was van de Britse aanwezigheid in India.’ De Opstand doorbrak het geweldsmonopolie van de Britten, met gewelddadigheden van Indiërs die tot dan toe ongekend waren. 9

Herinneringspolitiek

Samuel Bourne, beeld van de Angel of Resurrection, gebouwd op de waterput met de lichamen van tweehonderd gedode vrouwen, afgeschermd door een muur in gotische stijl (1865). Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-F80449.

In 1858, de opstand was nog in volle gang, werd het beeld van de ‘Engel der wederopstanding’ geplaatst, in 1863 werd het ommuurd door een achthoekig bouwwerk in gotische stijl. Vrijwel direct na de opening van het park werd het een vast onderdeel in de rondreis van hoogwaardigheidsbekleders én Britse toeristen. In 1875, toen de Prins van Wales Cawnpore het monument aandeed, trok het monument dagelijks bezoekers; tot het begin van de twintigse eeuw meer dan de Taj Mahal.
Auteur Heathorn schrijft dat de Indiase Opstand de symbolische afstand tussen de Britten en de Indiërs vergrootte: de moorden in Cawnpore zouden hun gedegeneerde, wilde en barbaarse aard tonen. De ‘Engel der opstanding’ fungeerde niet louter als gedenkplaats voor de onschuldige vrouwen en kinderen die het leven lieten; het was evenzeer een waarschuwing voor het alomtegenwoordige gevaar van een nieuwe rebellie.
Aanvankelijk diende dit ter rechtvaardiging van represailles gedurende de opstand 10 , zoals het in brand steken van dorpen in de nabije omgeving van Cawnpore waarbij de bewoners omkwamen. In juni 1857 werd krijgswetgeving aangenomen waardoor het leger burgers kon berechten. In de praktijk leidde dit tot ophanging op grote schaal van mannen die verdacht werden van muiterij. 11
Ideeën over het niet aflatend Indiase gevaar werden gereproduceerd door de toeristische ‘pelgrimage’ langs alle steden waar de Britten grote verliezen leden in de Opstand, de reisverslagen en historische werken én foto’s van commerciële fotografen als Bourne. Circulerende beelden van het park in Cawnpore vervulden zodoende een belangrijke rol in de Britse herinneringspolitiek. 12

Zijaanzicht van de engel, foto op frontispice van het werk, Indian Reminiscences van Colonel Samuel Dewé White, van 1845-1870 in het Bengaals leger. Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-2001-7-422-1.

Stoffage

De aanleg van het park en de gedenkplaats met de engel werden bekostigd met de opbrengsten van een speciale belasting (circa 30,000 pond) die de gehele bevolking van Cawnpore was opgelegd, als collectieve straf voor het uitblijven van verzet tegen de opstandelingen. Indiërs dienden een speciale vergunning aan te vragen om het park te mogen betreden. Deze werd hoogst zelden verleend en ook dan bleef het voor hen verboden om het bouwwerk met de engel te betreden. 13

Samuel Bourne, herinneringspark Cawnpore met de gotische muur op de achtergrond (1865). Collectie Rijksmuseum, inv.nr. RP-F-F00615.

Gezien het toegangsverbod voor Indiërs mag het opmerkelijk heten dat Bourne op bovenstaande foto drie Indiase mannen in het park liet poseren. Wilcock vermoedt dat Bourne drie dagers voor de camera plaatste, op gepaste afstand van het monument. In zijn analyse van de foto stelt Wilcock dat de drie mannen niet vastgelegd zijn als individuen, maar als belichaming van de native ofwel ‘inlander’. Wilcock ziet een ambivalentie in de foto: van de mannen gaat niet de geringste dreiging uit. Hij hanteert de term stoffage, afkomstig uit de schilderkunst, om de positie van de Indiërs te omschrijven. De drie mannen geven een indruk van de schaal van het monument en verlevendigen het geheel. De staande houding van de man in het midden harmonieert met de slanke bomen die ordelijk in het park geplant zijn, de zittende mannen weerspiegelen elkaars houding. Het beeld van ‘potentiële rebellen’ werd hier verdrongen door Britse opvattingen over de passieve, ‘indolente Indiërs.’ 14

1931-1932 Menaka & Nilkanta

This blog post is inspired by the Menaka Archive. Launched in November 2019, the archive presents the findings of four years of research into the European tour of the Indian ‘Menaka Ballet’ from 1936-1938. The Menaka Archive has a very rich database, including primary sources and a meticulous list of tour dates. Whilst the website is aimed at dancers and musicians in Germany and India, I attempt to make a small contribution by using Delpher – the Dutch database for digitized books, newspapers, and magazines. I will focus on Menaka’s first Dutch performances in 1931.

Marthe Gérardin , Nilkanta en Menaka, drawing, De Tijd ( 05-04-1931).

In the French database ‘Retronews’ the first European performance I could find was on November 7, 1930 in the Salle Pleyel, Paris. Menaka was accompanied by her dance partner Nilkanta and singer Bina Addy. 1 In March several Dutch newspaper reported that Menaka was ‘persuaded’ to perform in The Netherlands after successful shows in Paris and Berlin. 2

18 March 1931AmsterdamStadsschouwburg
23 March 1931Haarlem Stadsschouwburg
24 March 1931The HagueDiligentia
8 April 1931The HagueDiligentia
5 & 6 June 1932The HagueDutch Indies Exhibition
1931-1932 Menaka in The Netherlands, based on announcements in Delpher.
Menaka and Nilkanta arrive at Amsterdam Central Station, Nieuwe Apeldoornsche Courant (17-03-1931).

Reporters of two national newspapers, De Telegraaf 3 and De Tijd, 4 interviewed Menaka and Nilkanta. Both journalists quoted Menaka when she shared her views on the state of dance in her home county. Her remarks can be examined in the wider context of fundamental shifts in Indian dance, during the 1920s-1930s.

Menaka and Nilkanta, Haagsche Courant (25-03-1931).

‘Uncivilized demeanour’

Menaka: […] In India dance is at a very low level. The same dances are performed in the temple and general gatherings, but the performers are women of uncivilised demeanour. There is no difference between general dances and religious dances, the dances in the temple are not religious. […] 5

Menaka , the stage name of Leila Sokhey (née Roy) hailed from Calcutta, where she belonged to a Brahmin family. As a child, she saw many performances of professional dancers 6, in the above quote she referred to them as ‘uncivilized’.
Until the twentieth century, dancers in India belonged to specific, artistic communities. Women of these communities received extensive training in dance, literature, music, and singing from childhood onwards. In North India the professional artistes were attached to predominantly Muslim courts, with cities like Lucknow and Jaipur, among others, as reputable artistic centres.

Dancers in the palace quarters, (1790-1810). Collection Rijksmuseum, id.nr. RP-T-1993-246.
Rajasthan in North India was ruled by Hindu Rajputs, but they were influenced by the Indo-Persian culture of the Mughal imperial court.
In this drawing the dancer at a Rajasthani court has her feet turned out and knees bend, around her ankles she wears noopur or dancing bells.

The British Raj (1858-1949), or direct rule in India, disempowered local kingdoms. A significant number of dancers and musicians across North India left regional courts and migrated to the city Calcutta, the new administrative capital. Here the art of the hereditary dancers became reliant on the patronage of men from the wealthy, upper-classes. 7
Menaka’s negative appraisal of the dance artistes reflects the sentiment of the anti-nautch movement that spanned from the early 1890s to the 1930s. ‘Nautch’, is an Anglicized form of the Hindi word for dance, naach.
There is a large body of literature that is concerned with the anti-nautch movement and the subsequent transformation of dance.8 Amrit Srinivasan was one of the first to discuss this campaign against hereditary dancers in the context of social reform movements of the late nineteenth century.

Abbas Ali, Ameer Jan, dancing girl of Biba Wali, The Beauties of Lucknow Consisting of Twenty-Four Selected Photographed Portraits, Cabinet Size, of the most Celebrated and Popular Living Histrionic Singers, Dancing Girls, and Actresses of the Oudh Court and of Lucknow, (Calcutta 1874) Collection Victoria and Albert Museum, id.nr. IS.1050-1883.

Pressure groups, associations and lobbies of educated Hindus served in that period as a platform to respond to critiques brought forward by British missionaries and legislators. In doing so, Hindu reformers defined the hereditary dancers in Victorian terms. 9 Compared to other women, dancers possessed a degree of agency: they were very well versed in the arts, literate, and had non-marital relationships with men: their patrons from the upper strata of society. Due to these non-conjugal, sexual relationships hereditary dancers were criminalized as morally inferior ‘prostitutes’. 10

Menaka in the dance Bhakti Bhava, depicting a Hindu widow who seeks refuge in devotion, De Telegraaf (20-03-1931).

Displacement

As a result of complex changes in the moral, political and judicial realm, the hereditary artistes were removed from the dance and replaced by women from the upper castes, deemed worthy to perform the art. 11

Menaka broached this subject in the interviews:
[…] When Pavlova 12 saw me dance in my family circle, where I often danced, she said to me: “why don’t you dance and do something with your life. You can be of value for your people.” This entailed grave difficulties before I could even begin, I had to convince my husband, then my family and eventually all people from my caste. In 1927 I gave my first dance recital in Bombay, to a shocked and indignant audience. However, the second time I received much approval and I received many letters from girls of my class who wished to receive formal dance training.[…] 13

While recognizing the manifold factors that contributed to the displacement of hereditary dancers from the art, Natarajan mentions the personal interest of Brahmin women like Menaka who took to dancing. In their struggle to overcome caste barriers, their priority was legitimizing their own public appearances. The plight of the hereditary dancers, or seeking avenues where they could pursue their profession, was hardly a concern. 14

Studio Boris Lipnitzki, Menaka und Nilkanta, Der Künstlerische Tanz unserer Zeit (Dresden 1933), nr 233, p.41.

‘Priestess of dance’

[…] Meanwhile she chatters about famous Indians like Tagore and Gandhi. She tells us how she as well is bothered by the fact that India isn’t purely Eastern anymore. Despite her European orientation […] she wants to devote herself with all her might to save the pure Indian dance. […] “Menaka was the priestess of the all-knowing deity Indra, I want to be the priestess of Hindu dance”. […] 15

Leila Sokhey was born into the so-called bhadralok¸ the upper and middle classes of Bengal who articulated a sense of nationalism., with members of the Tagore family as preeminent intellectuals. Their nationalist construction of the Indian identity revolved around a distinct Hindu spirituality, which was embedded in ancient traditions and scriptures. While hereditary dancers were considered degraded, the art itself was conceived of as a sacred heritage, an embodiment of devotion, untouched by Islamic or European culture. 16

Menaka, Algemeen Handelsblad (18-03-1931).

[…] What I mean with my movement for dance in India is a reconstruction of the ancient dance. For this I have found material with teachers who have taught dance from generation upon generation. However, they taught only in the technical sense; the spirit was completely lost. […] 17

In this quote Menaka makes it clear her teachers were the men from the hereditary artist communities. Although masters of music and movement, they did not embody the ‘pure’ dance:.
[…] I had to start from scratch. […] One sees in statues and reliefs that ancient Hindus must have had an extraordinary technique. […] I do think Balinese dance embodies Hindu dance in its purest form. […] 18

Vereenigde Fotobureaux, Menaka and Nilkanta perform during the Indische Tentoonstelling, Westbroekpark The Hague, 1932. Collection Haags Stadsarchief, id.nr. 1.03714.

The performance in The Hague in March was tremendously successful, Menaka and Nilkanta were invited again to the theatre for one evening in April 1931. In 1932 they performed two days during the ‘Indische Tentoonstelling’, a colonial exhibition in The Hague. According to newspaper Het Vaderland the dance couple was preparing their journey to India, since Nilkanta had to return because of family circumstances. Despite the fact that the Dutch Indies were the focal point of the exhibition, Het Vaderland mentioned Menaka and Nilkanta agreed to end their European performance here because of the ‘Indian atmosphere.’ 19 In 1936 Menaka would return to The Netherlands for a far more extensive tour.

Panghat NrityaDance on the shore of the river Jamuna
UshasDance of the goddess of dawn
Ranga LilaDance of spring
Yuddha VidayaThe wife of the warrior
Bhakti BhavaDance of devotion
Naga KanyaDance of the snake maiden
Lakshmi DarshanBirth of the goddess Lakshmi
Amaravati NrityaThe Buddhist sculptures of Amaravati
Gramya GoshthiThe well of the village
Tarana UsshaqMongolian serenade
Dances performed in 1931, Source: Het Vaderland (16-03-1931 and 19-03-31).

Further reading

1854 – 1880 ‘Nautch girl’

Several museums hold photographs in their collection that combine elements that figured prominently in the British colonial imagination of India: Kashmir and dancing women.

Lalla Rookh

When Irish poet Thomas Moore published his ‘Oriental Romance’ Lalla Rookh in 1817, it became an instant bestseller. Moore’s main character was the fictional daughter of Mughal emperor Aurangzeb (1618-1707), her name translates as ‘tulip cheek’. She travels from the imperial court in Delhi to Kashmir, for her marriage to a young prince in the garden Shalimar (‘the abode of love’). Moore evoked an image of an idyllic Kashmir, with a scenery of otherworldly beauty.

The author never set foot in Kashmir. His ‘romance’ was based on an extensive library of travelogues, pictorial sources and scholarly treatises on India, Persia and Central-Asia. Nevertheless, Lalla Rookh moulded perceptions of later artists that visited India. In 1846 the East India Company (EIC) created the princely state of Jammu and Kashmir and sold the territory to ruler Gulab Singh. 1 As a princely state the area became accessible for travellers like the watercolourist William Carpenter (1818-1899). He travelled through India from 1850-1857 and made a series of paintings in Kashmir in the years 1854-1855. Using Lalla Rookh as a travel guide, he visited the landmarks in the city of Srinagar that Moore had extolled four decades earlier.2

William Carpenter, Two Natch girls, Kashmir (1854), Victoria and Albert Museum, item nr. S.157-1882

‘Two Natch girls’ of Carpenter contains elements that enabled the spectator to relate it to Kashmir. The two women are wearing white Kashmiri gowns, known as pheran. Usually, a lighter gown (poots), is worn underneath the pheran but Carpenter has omitted this, allowing to show more bare skin. One woman smokes a hookah, the other dreamily looks sideways. The flower in her hand could be a blooming tulip, as a reference to Lalla Rookh. Both women are framed within Mughal architecture: on one side the baluster column, on the other the stone window (jarokha), with a grand view of the mountainous landscape.

Nautch

‘Natch’, which Carpenter used in the title, and ‘nautch’ were Anglicised forms of the Hindi word naach¸ a neutral word for dance. Today, nautch is considered a problematic term. Barlas showed that women with widely diverse occupations and skills were called ‘nautch girl’. This encompassed highly trained poets, singers, and dancers who were attached to courts and temples, as well as women who earned a living as entertainers or prostitutes. Thus nautch was a false or even illusory category. 3 Nonetheless, some photographs in different collections seem to contain traces of a distinct art form that was subsumed in the category of nautch.

Samuel Bourne (1834–1912) is considered one of the most important photographers of colonial India, working in the second half of the nineteenth century. The majority of his work consists of landscapes and architectural splendours, while his images of Indian people are less numerous. 4 In 1863 he established the firm Bourne & Shepherd, by 1866 the catalogue included 600 different photographs, about a third of Kashmir. 5

Samuel Bourne, Natch girls of Srinugger, Cashmere (1860s), British Library, item.nr. 39416.

Bourne commented on his portrait of a group of ‘natch girls’:
[…]They were very shy at making their appearance in daylight, as, like the owl, they are birds of the night. […]They squatted themselves down on the carpet which had been provided for them, and absolutely refused to move an inch for any purpose of posing; so after trying in vain to get them into something like order, I was obliged to take them as they were, the picture, of course, being far from a good one. […] 6

left: Bourne & Shepherd, Kashmeer – A Natch (1864), Victoria and Albert Museum, id. nr. IS.7:50-1998. Two dancers in a semi-circle, one in a pose with her skirt, surrounded by musicians and spectators.

right: John Burke, Kashmir Dancers, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz,id.nr. VIII C 600 b. One dancer holding her skirt, on the right a musician with a saaz-e-kashmir.

Although Bourne complained about the women’s unwillingness to pose, another photograph in the collection of the Victoria and Albert Museum shows a lively image. A group of men is sitting on a carpet, in their midst musicians; the rectangular santoor, the Kashmiri zither, is clearly discernable. Some spectators have turned their faces to the photographer, but the focus is on the two standing women in the middle of the semi-circle. The woman on the left holds the hem of her transparent skirt in her hand, creating movement while standing still. The group is surrounded by lush trees, it seems very likely Bourne made the photograph in a pavilion (baradari) of Shalimar Bagh in Srinagar, the garden of love where the fictional Lalla Rookh married.

Samuel Bourne, Natch House, Shalimar gardens, Srinugger (1860s) British Library, id. nr. 39419.

One of the competitors of Bourne’s firm was Baker & Burke. Like Bourne, founder John Burke took more than a hundred photographs in and around Srinagar. 7 In Burke’s group portrait five musicians are playing their instruments. On the left, a player of the santoor is sitting in front, next to him a man holds a sehtâr, a Kashmiri lute. On the right, behind the musician on the santoor, two men hold a saaz-e-kashmir, a local version of the viol.

Dancers and musicians, Baker and Burke, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, id. nr. VIII C 1822

The combinations of these instruments strongly suggest this is an ensemble of Sufiana Kalam, considered by Kashmiris as their classical music. 8 Sufiana Kalam was performed in religious as well as secular gatherings (mehfil), where musicians sang the mystical poems of Persian Sufis. The music ensemble accompanied Hafiza Nagma, professional dancers who sang in Persian and Kashmiri and conveyed the meaning of the words through bodily movements, facial expressions, and hand gestures.9

Portraits by Bourne and Burke show that they were not concerned with the intricacies of a performing art. Instead, the commercial success of their works depended on exoticizing the ‘nautch girls’. Barlas argues this was achieved by the physical depiction of the women.10 In the painting as well as the photographs the white pheran, emphasize femininity (as perceived at that time). Carpenter paid much attention to the elaborate hair jewellery (matha patti), 11 and their nathni (nose ring) seems to glisten.

left: Dancers and musicians from Kashmir, John Burke, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, id. nr. VIII C 1770. The musician in front plays the santur, behind him a man is holding a saaz-e-kashmir.

right: Francis Frith (Studio Frith´s Series, A Cashmerian Nautch girl, (ca. 1887), Rijksmuseum, id.nr. RP-F-F80347.

Another trope of exoticization is the woman who is performing in a public or private space. 12 To communicate the ‘nautch girl’ was actually dancing, photographers Bourne and Burke used the pose of a woman holding the hem of her skirt in her hand. Burke chose the pose of one hand at the back of the head. Photographers of the successful commercial company of Francis Frith repeated this same pose more than ten years later. 13

John Burke, Asisi, 22 years old, Kashmir Dancing girl, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz

Objects, probably available in the photo studio, enforced the meaning of women reclining or lounging. In Burke’s group portrait of the ensemble, two women are smoking a hookah and within reach are two samovars, a Kashmiri speciality to boil, brew and serve tea. In the photograph of Asisi the samovar stands on a tray with teacups, an echo of the painting of Carpenter. Asisi has freed her feet from her shoes (khussa), and leans against a bolster (gao takia).

In combination with the reclining pose, the photograph suggests spectators are offered a view in the private quarters of the women, in India known as zenana.  This suggestion is even stronger when several women are in the picture.

left: Francis Frith, Nautch Girl Cashmere (1850-1870), Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, id.nr. VIII C 1776.

right: John Burke, Kashmir dancers, Ethnologisches Museum der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, id.nr. VIII C 600 a

Bourne, as well as Firth, made a composition with a woman seemingly alone in a room. She is reclining in a half-lying position, one side of the body supported by the bolster. She evokes sensuality and pleasure while transgressing Victorian morality. This perception would determine the fate of the dancers, singers and artists in the whole of India after 1890. Performing Hafiz Nagma was prohibited by the Kashmiri ruler in the early 1920s, the tradition is now all but lost.

left: Samuel Bourne, Cashmere Nautch Girl (1860s) British Library, id. nr. 70

right: Francis Firth (1850-1870),A Cashmerian Nautch Girl, Rijksmuseum, id.nr. RP-F-F80348

1898 Hagenbeck’s Indien

Adolph Friedländer, Affiche Hagenbeck’s Indien & Hagenbeck’s Ceylon thee, 1895 (of 1898), Circuscollectie Allard Pierson Museum, inv.nr. TEY0010002845.

De tempeldanseres op bovenstaand affiche is te zien op meerdere aankondigingen die Adolph Friedländer voor de völkerschauen van Hagenbeck ontwierp. Het affiche werd gemaakt voor een völkerschau in Berlijn. Op de Kurfürstendamm, een grote stadsboulevard, verrezen rondom het ‘Maharaniplatz’ en ‘Trischinapoli Platz’ decors en ‘Indiase’ bouwwerken van meerdere etages. Door de grootschaligheid en het spektakel leek de ‘volkerenshow’ hier te zijn uitgegroeid tot een etnografisch attractiepark. 1

Uit het overzicht van Hilke Thode-Arora blijkt dat de völkerschau in Berlijn plaatsvond in 1898. 2 Dit jaartal stemt overeen met de visuele bronnen in de particuliere Collectie Radauer.

De organisatie van deze völkerschau was in handen van John en Gustav Hagenbeck, twee jongere halfbroers van Carl. John Hagenbeck bezat in Colombo, Sri Lanka, plantages voor thee, rubber en kokosnoten. Op het affiche is de reclame voor ‘Hagenbeck’s Ceylon thee’ minstens net zo prominent als de aankondiging van de völkerschau.3