2013 Ogbechie: the canon of African art

NRC Handelsblad bracht op 25 oktober 2018 een ‘Special koloniale roofkunst’ uit. Zowel het verzamelen van etnografica als het tentoonstellen van mensen behoren tot het negentiende eeuwse tentoonstellingscomplex, vandaar dat het van belang is kennis te nemen van deze actuele discussie. 

De artikelen in de NRC- bijlage hebben minder oog voor een structurele ongelijkheid die gepaard gaat met het feit dat Europese instellingen Afrikaanse kunstschatten beheren: de kennisproductie vindt in het Westen plaats. Sylvester Okwunodo Ogbechie, verbonden  aan de University of California in Santa Barbara (USCB, behandelt dit in een registratie van een lezing die is gebaseerd op zijn boek ‘Making history. African collectors and the canon of African art.

De vorming van de canon begon in de negentiende eeuw, gelijktijdig met het kolonisatieproces van Afrika. Ogbechie merkt op dat de culturele rijkdom zo overging van Afrikaanse producenten naar niet-Afrikaanse verzamelaars en instellingen. Zijn belangrijkste punt is echter dat de objecten vanaf het moment dat zij deel uitmaakten van Europese museale en private collecties, onderdeel werden van de westerse kennisproductie. Ze werden nauwkeurig nagetekend of gefotografeerd,  gedetailleerd omschreven, als ‘topwerk’ getoond in tentoonstellingen en opgenomen in prestigieuze catalogi – een proces waarbinnen iedere fase het object dieper in de canon verankerde.

Ogbechie vervolgt dat deze canon statisch is: het is vrijwel niet mogelijk hier nieuwe werken in op te nemen. Dit geldt onder meer voor kunstobjecten die al opeenvolgende generaties in het bezit zijn van (vooraanstaande) Afrikaanse families en het continent nooit verlaten hebben. Ogbechie maakt duidelijk dat juist omdat de werken zich in Afrika bevinden, er twijfels bestaan over de antiqiteit en authenticiteit.  Hij verklaart dit als volgt:  de voorwerpen die werden verzameld in het koloniale tijdperk waren in eerste instantie representatief voor een specifieke periode: namelijk die waarin ze verzameld werden. Het ontbreekt in het Westen aan kennis over het langere proces waar de objecten deel van uitmaken; er waren eerdere vormen waar zij op voortborduren en latere vernieuwingen. De canonisering van werken uit de koloniale periode verhindert dat dit proces in ogenschouw wordt genomen. Ogbechie illustreert dit met de bronzen van Benin, die in westerse musea terecht kwamen na een strafexpeditie van de Britten in 1897. Na de strafexpeditie bleven de gildes voor bronsbewerking bestaan – maar werken die zij in de twintigste eeuw vervaardigden werden niet beschouwd als authentiek omdat ze tot behoorden tot de in 1897 ontstane collectie. Dit eerste deel van de lezing bevat ook een voorbeeld uit Ogbechie’s persoonlijke geschiedenis; hij behoort tot een familie van traditionele heersers, de oba.  Het tweede deel is een illustratie van dit proces aan de hand van stukken van een Afrikaanse verzamelaar.

Workshop ‘Circus van beeld naar woord’

Op vrijdag 24 augustus 2018 volgde ik de workshop ‘Circus van beeld naar woord’, onder leiding van Floortje Bakkeren. De workshop was onderdeel van de ‘Summerschool History of the Book’, die wordt georganiseerd door de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Tot en met 31 augustus 2018 vindt de negende editie van deze zomerschool plaats, maar voor mij was het de eerste keer. Vandaar dat ik tijdens de workshop van de ene verbazing in de andere viel.

Lees “Workshop ‘Circus van beeld naar woord’” verder

1971: Fragment Foucault

In het werk van het Franse collectief ACHAC, zijn invloeden herkenbaar van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Een directe referentie aan zijn werk namen de vijf redacteuren van ACHAC op in hun bundel ‘Human zoos.’ Hier stellen zij dat Europa een traditie kent in het tentoonstellen van mensen. Sinds de zestiende eeuw vormde het bekijken van mensen die fysiek of mentaal duidelijk anders waren een onderdeel van de populaire cultuur. De auteurs wijzen hierbij kort op Foucaults ‘grote opsluiting’ vanaf halverwege de zeventiende eeuw: het afzonderen van armen, zieken, prostituees en bedelaars in instellingen waar zij gedisciplineerd werden. Nu het ‘abnormale’ werd verdrongen naar de marge van de samenleving, ontstond er een grotere behoefte om het afwijkende zichtbaar te maken en te ervaren; reden dat de mensententoonstellingen tot bloei konden komen.1

Lees “1971: Fragment Foucault” verder

Frans onderzoek: zoo humain

Het Franse collectief Association pour la Connaissance de l’Histoire de l’Afrique Contemporaine (ACHAC) entameerde in 2011 een publiek debat over het tentoonstellen van mensen met de expositie Exhibitions. L’invention du sauvage in het Musée du Quai Branly. Behorend bij de tentoonstelling werd een catalogus uitgebracht, die de sinds 2002 verschenen wetenschappelijke publicaties aanvulde. In alle uitingen, ook die voor een breed publiek, brengt ACHAC de stelling naar voren dat de archetypes die werden geconstrueerd in de zoos humains voortleven in een collectief onderbewustzijn. De historici rekenen het tot hun maatschappelijke taak erop te wijzen hoe ideeën en constructies over ras en het niet-westen nog altijd van kracht zijn in het hedendaags denken. De documentaire is gemaakt door twee historici van ACHAC, Pascal Blanchard en Éric Deroo .


Duits onderzoek 2014: From Samoa with love?

Tentoonstelling From Samoa with love? Museum Fünf kontinente, januari – november 2014.

Hilke Thode-Arora geldt sinds haar eerste onderzoek in 1989 als een van de prominente onderzoekers naar Duitse völkerschauen.  In 2015 sprak zij op een congres over haar project ‘From Samoa with Love?, een audioweergave hiervan is te beluisteren via Youtube.1

‘Ethnic shows are a very complex phenomenon with a wide continuum from forced to voluntary recruitment by the impresario to professional showmanship and assertiveness on the the side of the performers, from Western fantasie to non-European agency and influence on what was presented to the audiences.’

Het vertrekpunt van Thode-Arora was een verzameling voorwerpen uit Samoa, beheerd door het Fünf Kontinente Museum in München. Deze voorwerpen waren meegebracht uit Samoa, door een groep die deelnam aan de völkerschauen die waren georganiseerd door de gebroeders Fritz en Carl Marquardt.2 Als eerste stap traceerde Thode-Arora Samoaanse objecten die waren geschonken door de Marquardts aan andere Europese musea.

Vervolgens verrichtte zij intensief archiefonderzoek. In Duitse archieven verzamelde ze honderden krantenberichten, correspondentie, affiches en foto’s. Daarna verbreedde ze het terrein naar archieven Samoa en Nieuw-Zeeland waar ze bronnen raadpleegde over het kolonisatieproces van de Saomaanse eilanden.3

De vierde stap had voor antropoloog Thode-Arora de grootste betekenis: het zoeken van nazaten van deelnemers aan de völkerschauen om  het Samoaans perspectief te reconstrueren. Thode-Arora kreeg op Samoa inzage in de brieven die deelnemers aan de völkerschauen naar hun familie stuurden. Oral history bleek daarnaast van groot belang:

‘While in a European setting it would have been a futile attempt to gather information more than 100 years after the events, among Samoans oral traditions about their forefathers are still very important today. This turned out to be a valid research method which led to a number of genealogical and oral history narratives.’

Onder de deelnemers aan de völkerschauen van Marquardt bevonden zich prominente Samaoaanse families. Het was voor hen vanzelfsprekend tijdens hun tournee Duitse hoogwaardigheidsbekleders te ontmoeten. Zo spraken zij met keizer Wilhelm II en wisselden geschenken met hem uit. In het boek en de tentoonstelling die voortkwamen uit het onderzoek van Thode-Arora, hechtten de nakomelingen van de Samoaanse chiefs die betrokken waren bij de völkerschauen  aan:

‘[…] the acknowledgement and commemoration of their forefathers – not as helpless victims in a colonial power setting of injustice, but rather as dignified, strategically acting persons of high rank.’

1887 ‘Ashantijnen’

Aantal personen: 16 volwassenen.
In Nederland: 4 december 1886 – 4 januari 1887.
Impresario: onbekend.

Na een verblijf in de Parijse Jardin d’Acclimatation vanaf september, was een groep Ashanti vanaf december 1887 te zien in de ‘Groote Schouwburg’ aan de Rotterdamse Coolsingel en Theater Diligentia in Amsterdam.

Groep Ashanti die in Berlijn te zien was. Fotograaf: Carl Günther. Collectie Etnografiska Museet, Stockholm, inv.nr. 0069.Ie.0003.b

In kranten werd opgemerkt dat de groep, alvorens zij naar Nederland kwam, al een half jaar in de ‘Europese hoofdsteden’ was te zien.  De ‘exhibition ethnografique‘ van de Ashanti was de eerste volkerenshow van West-Afrikanen die plaatsvond in de Jardin d’Acclimatation. Een jaar eerder, in 1886, hadden wetenschappers zich gedistantieerd van de mensententoonstellingen in de zoölogische tuin van de Franse hoofdstad. Mede hierdoor, schrijft onderzoeker Bergougniou, is het niet geheel zeker of de mannen en vrouwen daadwerkelijk uit Ghana, het toenmalige Goudkust, afkomstig waren. 1

Nederlandse bladen spraken van een groep van zestien volwassenen, waaronder tien mannen, en één baby 2 Uit advertenties blijkt dat de groep in Theater Diligentia dagelijks te bezichtigen was van 14.00 – 23.00 uur, bezoekers betaalden voor de eerste rang 0, 49 cent en voor de tweede rang 0, 25 cent. Ieder half uur vond een voorstelling plaats, die bestond uit meerdere krijgsdansen, een bruiloftsdans en gebed.3 Onderzoeker Schneider merkt op dat het optreden van de groep sterk gericht leek op sensatie en spektakel. De kostuums van dierenhuiden en attributen die de groep hanteerde dienden om hun ‘wildheid’ en ‘woeste aard’  te onderstrepen. 4

Vertoog
De Maas- en Scheldebode (1886-1937) plaatste een ondubbelzinnige veroordeling van de mensententoonstelling. De bode gold als het antirevolutionair orgaan voor de eilanden van Zeeland en Zuid-Holland. 5 De religieuze signatuur weerklinkt in de klacht over deze ‘gruwel’:

Maas- en Scheldebode, 30 december 1887.
stem: Theo Goemaat

De kranten verschilden sterk in hun omschrijvingen van de tien mannen en vier vrouwen op het podium. Het nieuws van den dag merkte op: ‘Gelijk men weet, hield deze menschensoort zich nog van tijd tot tijd met menscheneten onledig; iets van dien trek lag, naar men zeggen zou nog in sommiger ogen.’6 De Amsterdamse correspondent van de Goessche Courant typeerde hen als ‘onvervalschte wilden’: ‘afschuwelijk leelijke kerels met hun bijna roetzwarte huid, hun dikke lippen, dichtgekroesde wolharen en hun afzichtelijken grijnslach. […] De vrouwen, zoo mogelijk nog leelijker, zijn veel kleiner en in tijgervellen gehuld […]’ 7

Andere kranten leken onder de indruk van de ‘flinke’ en ‘krachtige’ bouw van vooral de mannen. 8 Het imposante fysiek van de Afrikaanse ‘krijgers’ bracht een anonieme briefschrijver tot overpeinzingen over de Nederlandse soldaten in de Ajeh-oorlog (1873-1942):


N.C.C. ‘De Ashantijnen’, De Amsterdammer, herdrukt in De locomotief, Semarangsch handels- en advertentieblad (14 februari 1888).
stem: Julius Goedhart
Affiche van het optreden van de Ashanti in de Jardin zoologique d’Acclimatation, Parijs. Collectie: Bibliothèque nationale de France, ENT DN-1 (LEVY,Emile/11)-ROUL

1845 Azil

Aantal personen: 1
In Nederland: juni 1845, Leiden.
Impresario: Paganini

Sedert lang bezig zijnde met Europa te doorreizen, heeft zij al de hoofdsteden bezocht, en op deze langen togt heeft al het woeste van haar karakter plaats gemaakt voor zachtere zeden’, aldus de Leydse Courant in een aankondiging. 1 Reeds achttien jaar trok Azil door Europa toen zij op de Kermis in Leiden te zien was. Er zijn geen documenten waarin zij stem geeft aan haar biografie, haar emoties of ervaringen. Verspreid in Europese bibliotheken zijn wel programmaboekjes bewaard gebleven die waarschijnlijk te koop waren tijdens haar optredens en tekst van een toneelstuk uit 1830  waarin zij zichzelf speelde. 
De Italiaanse historica Francesca Bertino wist acht edities van het programmaboekje te achterhalen en gebruikte deze om de komst van Azil naar Europa en de gelegenheden waar zij geëxposeerd werd in kaart te brengen. De feiten die hier worden gegeven zijn afkomstig van impresario ‘Signor Paganini’.2

Advertentie Leydse Courant (13 juni 1845).

Volgens Paganini zou Azil geboren zijn op Groenland. Haar ouders zouden tijdens de zeehondenjacht schipbreuk hebben geleden aan de kunst van Canada, alwaar ze gevangen werden genomen door de ‘Osage’ – de Franse benaming van Ni-u-kon-ska, een  autochtoon Noord-Amerikaans volk. De ouders werden om het leven gebracht en Azil, een baby nog, werd ondergebracht bij een Osage-gezin aan de oevers van de Missouri. In het relaas van Paganini zou de pelshandelaar Captain Hunt getroffen zijn door de aanblik van het meisje en haar in zijn gezin hebben opgenomen. Zo groeide Azil op in Louisiana, waar ze werd gedoopt en Frans leerde. 3 Bertino wijst op hetgeen ontbreekt in het pamflet van impresario Paganini: hoogstwaarschijnlijk verwierf hij het eigendom over Azil op basis van een zakelijke transactie, maar hij wijdde geen woord aan de verkoopsom of een contract. Bertino toont op basis van verschillende uitgaves van het pamflet dat de tekst werd herschreven om de vrije wil van de jonge vrouw sterker te benadrukken. 4

Paganini toonde Azil eerst in Frankrijk. Vervolgens zou ze voorgesteld worden aan Noord-Italiaanse vorstenhuizen en de belangrijkste steden van het Habsburgse Rijk aandoen, waaronder Weren. In 1830 ging in Venetië een theaterstuk in première over haar levensverhaal, zoals verteld door Paganini,  Le avventure di Azil giovane esquimese del Groenland (de avonturen van Azil, een jonge Eskimovrouw uit Groenland). Het is niet met zekerheid te zeggen hoe vaak het theaterstuk werd opgevoerd, wel is uit de verspreiding van de tekst op te maken dat Azil te zien was in Wenen (1834), Boedapest (1836), Cremona (1840), Turijn (1841) en Graz (1843). Haar aanwezigheid in Leiden is in dit licht interessant, omdat er uit blijkt dat zij langer door Europa reisde dan tot nog toe bekend was.

2011 Jenkins, Reading an image in the Other context

Reading an image in the Other context from Matt Gainer on Vimeo.

Door de één beschouwd als een onlosmakelijk onderdeel van de Europese expansie, voor de ander één van de grootste sociale bewegingen van de negentiende eeuw: de protestantse zending en katholieke missie in Azië, Amerika en Afrika. Naast de talrijke tekstuele bronnen van deze bewegingen zijn er objecten bijeengebracht waarvan een deel nu door musea wordt beheerd. Ook zijn er omvangrijke fotocollecties: het aantal fotograferende zendelingen en missionarissen nam toe na 1880, toen de benodigde apparatuur lichter werd en eenvoudiger was te bedienen.

Deze fotocollecties zijn digitaal toegankelijk. De SOAS University of London (School of Oriental and African Studies) beheert bijvoorbeeld de archieven van de London Missionary Society (1795) – een organisatie die de oprichters van het Nederlands Zendelinggenootschap (1797) inspireerde. De Basler Mission (1815) maakte meer dan 67000 bestanden digitaal doorzoekbaar. Zendelingen van deze Duitse organisatie waren vanaf de jaren 1820 aanwezig in Ghana, destijds Goudkust genoemd. Historicus Paul Jenkins, voormalig hoofd van het Basler archief, toont in bovenstaand ‘visueel essay’ de complexiteit in het duiden van foto’s. Zijn uitgangspunt is een foto van pastoor Koranteng en zijn familie. Waarom neemt niet de pastoor maar zijn vrouw een centrale positie in op de foto? Een vrouw die traditioneel gekleed is, waar pastoor Koranteng onberispelijk in een westers pak is gestoken. Het echtpaar had een zoon – waarom ontbreekt hij en zijn vier vrouwelijke nakomelingen vastgelegd? In de beantwoording van deze vragen schetst Jenkins een Ander perspectief , waarin hij duidt hoe de mensen die werden gefotografeerd invloed uitoefenden op de wijze waarop zij werden vastgelegd. Het essay is gemaakt voor het International Mission Photography Archive (IMPA).